ECLI:NL:PHR:2017:1073

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 september 2017
Publicatiedatum
18 oktober 2017
Zaaknummer
16/00409
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 197 SrArt. 472 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening veroordeling wegens persoonsverwisseling bij ongewenst verblijf vreemdeling

Bij verzoekschrift van 23 januari 2016 is namens de aanvrager herziening gevraagd van een veroordeling door de politierechter te Rotterdam wegens verblijf als ongewenst vreemdeling. De veroordeling betrof een gevangenisstraf van drie maanden, zonder hoger beroep.

De aanvraag baseert zich op het feit dat niet de aanvrager, maar vermoedelijk een andere persoon die zich meerdere malen heeft uitgegeven voor de aanvrager, het misdrijf heeft begaan. Het proces-verbaal waarop de veroordeling berust is niet op naam van de aanvrager, maar van een verdachte met een andere identiteit.

Nader onderzoek, inclusief een proces-verbaal met kleurenkopieën van pasfoto’s, bevestigt dat de aanvrager niet dezelfde persoon is als de ongewenste vreemdeling die veroordeeld is. De advocaat van de aanvrager heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid tot reactie.

De conclusie is dat de veroordeling waarschijnlijk onterecht is en dat de herziening gegrond is. De Hoge Raad wordt verzocht de tenuitvoerlegging van het vonnis op te schorten en de zaak te verwijzen naar een gerechtshof voor verdere behandeling.

Uitkomst: Het herzieningsverzoek wordt gegrond verklaard wegens persoonsverwisseling en de tenuitvoerlegging van het vonnis wordt opgeschort.

Conclusie

Nr. 16/00409 H
Zitting: 26 september 2017 (bij vervroeging)
Mr. Aben
Conclusie inzake:
[aanvrager]
1. Bij verzoekschrift van 23 januari 2016 heeft mr. K. Blonk, advocaat te Rotterdam, namens [aanvrager], de herziening aangevraagd van de veroordeling die de politierechter in de rechtbank te Rotterdam bij vonnis van 20 augustus 2015 ten laste van [aanvrager] heeft uitgesproken. [1]
2. Heden concludeer ik eveneens naar aanleiding van een samenhangend herzieningsverzoek van [aanvrager], bij Uw Raad bekend onder parketnummer 15/01331 H. Voor de achtergronden van de voorliggende zaak verwijs ik daarnaar.
De veroordeling
3. Het misdrijf waarvoor [aanvrager] bij verstek is veroordeeld betreft meer specifiek het verblijf als ongewenst vreemdeling in Nederland op 16 mei 2015. De politierechter heeft een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van drie maanden. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld.
De stelling waarop de aanvraag berust
4. Uit de aanvraag en de bijgevoegde documenten maak ik het volgende op. Als grond voor herziening wordt aangevoerd dat niet [aanvrager], de verzoeker, maar een persoon met een onbekende naam, mogelijk heet hij [betrokkene 3], zich heeft schuldig gemaakt aan het misdrijf waarvoor [aanvrager] is veroordeeld. Deze persoon heeft zich reeds meermalen – in gevallen waarin hij ‘in aanraking kwam met justitie’ – bediend van de persoonsgegevens van [aanvrager].
De processtukken waarop de veroordeling is gebaseerd
4. Het flinterdunne proces-verbaal van politie dat zich onder de processtukken van de strafzaak bevindt en waarop de veroordeling (zeer vermoedelijk) berust is niet ingezonden op naam van [aanvrager], maar op ‘naam’ van een verdachte die bekend is onder nummer NNPL17RRM1301101630. Daarmee wordt zeer vermoedelijk de persoon bedoeld die tevens de ex-partner is van de aangeefster in de andere herzieningszaak waarin ik heden concludeer. Er bevindt zich géén beschikking in het dossier waaruit blijkt van een ongewenstverklaring als bedoeld in art. 197 Sr Pro van [aanvrager]. De enige beschikking in het dossier betreft een beschikking d.d. 8 november 2010 aangaande “Nn zich noemende [betrokkene 4]”, die op 16 november 2010 in persoon is uitgereikt. De naam ‘[aanvrager]’ wordt in dit politiedossier slechts vermeld binnen het bestek van een opsomming van drie (naar ik begrijp: valse) namen waarvan NN zich in het verleden heeft bediend. Van deze NN-persoon bevindt zich eveneens een tweetal ID-staten in het dossier, inclusief zwartwit-foto’s.
5. Zoals gezegd is het proces-verbaal van politie niet op naam ingestuurd. Het is mij niet duidelijk op welke grondslag het arrondissementsparket te Rotterdam ervoor heeft gekozen een dagvaarding op naam van [aanvrager], zonder vaste woon- of verblijfplaats, te doen uitgaan, en op 16 mei 2015 in persoon heeft doen betekenen aan de ongewenste vreemdeling op wie de beschikking (waarschijnlijk) betrekking heeft. Vervolgens is [aanvrager] veroordeeld.
De herzieningsaanvraag
9. De aanvraag is opgebouwd rond de herhaalde mededeling dat de vele processen-verbaal die als bijlage zijn overgelegd telkens niet de echte [aanvrager] (d.w.z. de verzoeker) betreffen.
10. Bij de aanvraag is een niet heel duidelijke kopie gevoegd van het
Nederlandsepaspoort van [aanvrager]. Het gelaat dat daarop zichtbaar is, ofschoon niet heel helder afgebeeld, stemt niet overeen met het gelaat van de ex-partner van [betrokkene 1] zoals afgebeeld op de genoemde ID-staten.
Nader onderzoek
11. Het herzieningsverzoek gaf (enige) aanleiding tot nader onderzoek. Met de voltooiing daarvan was – naar ik aanneem vanwege capaciteitsproblemen – veel tijd gemoeid. Het resultaat van dit onderzoek gaat hierbij als bijlage: een proces-verbaal d.d. 14 juli 2017 van de verbalisant [verbalisant], waarbij onder meer kleurenkopieën van pasfoto’s van zowel - de in Nederland ongewenste - NN als van de
Nederlandseverzoeker tot herziening zijn gevoegd. Dit proces-verbaal is m.i. helder en spreekt geheel voor zich. Kort gezegd luidt de conclusie dat de verzoeker tot herziening, [aanvrager], afgebeeld op de foto’s van de bijlagen C1, C2 en F, niet dezelfde persoon is als de in Nederland ongewenste NN die is afgebeeld op de foto’s van de bijlagen A, B en E.
12. Ik heb de raadsvrouw, mw. mr. Blonk, dit proces-verbaal op 7 september 2017 doen toekomen en haar meegedeeld dat ik voornemens ben te concluderen tot gegrondverklaring van het verzoek. Bij e-mail van 14 september 2017 heeft de raadsvrouw mij laten weten (om die reden) geen gebruik te maken van de haar geboden gelegenheid te reageren.
Conclusie
13. De ingebrachte gegevens brengen mij tot de conclusie dat de bestreden veroordeling naar alle waarschijnlijkheid geen misdrijf betreft dat door [aanvrager], met de Nederlandse nationaliteit, zijn begaan, maar door een - in Nederland ongewenst - persoon die zich bij gelegenheden onder meer heeft uitgegeven voor [aanvrager]. Mogelijk is deze persoon genaamd [betrokkene 3].
14. Daarmee is de aanvraag tot herziening m.i. gegrond. Het is aangewezen dat Uw Raad de opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden uitspraak zal bevelen.
15. Deze conclusie strekt tot verwijzing van de strafzaak naar een gerechtshof, opdat de zaak zal worden behandeld en afgedaan op de wijze als is voorzien in artikel 472, tweede lid Sv.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG

Voetnoten

1.Parketnummer 10/094632-15.