Conclusie
Brammer)
.
de curator)
1.Procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
klacht 2heeft de rechtbank deze kostenveroordeling ten onrechte uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De curator heeft zich met betrekking tot deze klachten gerefereerd aan het oordeel van Uw Raad.
eerstedat de rechtbank ten onrechte de beslissing van de rechter-commissaris niet ‘vol’ heeft getoetst, waarbij het onderdeel onder ‘volle toetsing’ verstaat dat de rechtbank toetst of het belang van de boedel/de faillissementscrediteuren door het beleid van de curator wordt gediend althans niet wordt geschaad.
tweedeklaagt onderdeel 3.1, onder verwijzing naar HR 20 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4169, NJ 1981/640, m.nt. C.J.H.B., dat de rechtbank heeft miskend dat de curator – zeker in een situatie als de onderhavige waarin een (vermeend) schuldeiser beschikt over informatie op grond waarvan beleidsbepalers kunnen worden aangesproken – een afweging moet maken tussen,
enerzijds, het belang van de boedel bij (de kosten van) verkrijging van de voor het aanspreken van de feitelijk leidinggevenden benodigde informatie, en,
anderzijds, het belang van een gelijke behandeling van de schuldeisers. Althans is het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd, nu zij niet kenbaar heeft gemaakt dat zij (als ware zij de curator) over genoemde ‘voor wat hoort wat’ situatie heeft geoordeeld, aldus nog steeds het onderdeel.
De curator zal dan het belang van de boedel bij voortzetting van de leveranties hebben af te wegen tegen het belang van een gelijke behandeling van de schuldeisers.Dit laatste belang zal er in het algemeen mee gediend zijn dat de curator de desbetreffende goederen van elders betrekt.”
afhankelijkheidvan de boedel bij (voortzetting van) de prestatie van de crediteur, geeft het geen vindplaats van de stelling dat de curator voor het aansprakelijk stellen van de beleidsbepalers van de informatie van Brammer afhankelijk is en voldoet het in zoverre niet aan de ingevolge art. 426a Rv te stellen eisen. Dat wordt niet anders door de enkele verwijzing, in het aanvullend cassatieverzoekschrift, naar de in het proces-verbaal opgetekende verklaring van de advocaat van Brammer: “Misschien is mijn cliënte ook wel een dwangcrediteur.” Zoals door de curator is aangevoerd (verweerschrift nr. 3.17), heeft hij immers gemotiveerd betwist afhankelijk te zijn van de informatie van Brammer: hij heeft aangegeven dat hij zelf actief onderzoek doet en dat zijn rechtmatigheidsonderzoek naar het handelen van de feitelijk leidinggevenden nog loopt. [6]