ECLI:NL:PHR:2017:1158

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 september 2017
Publicatiedatum
26 oktober 2017
Zaaknummer
16/02082
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 414 SvArt. 311 SvArt. 286 SvArt. 348 SvArt. 350 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende motivering weigering overleggen nieuwe stukken in hoger beroep

In deze zaak heeft de verdachte in hoger beroep een verzoek gedaan om een schriftelijk stuk met zijn bezwaren toe te voegen aan het dossier. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft dit verzoek afgewezen met de motivering dat de verdediging reeds door de raadsman was gevoerd en de advocaat-generaal niet meer op het stuk kon reageren.

De Hoge Raad stelt dat het hof onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn motivering en mogelijk de maatstaf van een behoorlijke procesorde bij de beoordeling van het verzoek heeft miskend. De Hoge Raad benadrukt dat het overleggen van nieuwe bescheiden in hoger beroep mogelijk is volgens art. 414 Sv Pro, mits dit zorgvuldig wordt beoordeeld en gemotiveerd.

Verder oordeelt de Hoge Raad dat het hof ten onrechte het stadium van de procedure als reden heeft genomen om het verzoek af te wijzen, terwijl de verdachte reeds vroeg in de zitting had aangegeven dat hij zijn bezwaren schriftelijk had vastgelegd. De Hoge Raad verklaart het onderzoek in hoger beroep nietig en vernietigt het arrest, waarna de zaak wordt terugverwezen naar het hof voor een nieuwe behandeling.

Het tweede middel van cassatie, gericht op het oordeel over voorwaardelijk opzet, wordt buiten bespreking gelaten. De conclusie van de Procureur-Generaal leidt tot vernietiging en terugwijzing van de zaak.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van de weigering nieuwe stukken toe te laten, en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.

Conclusie

Nr. 16/02082
Zitting: 5 september 2017
(bij vervroeging)
Mr. F.W. Bleichrodt
Conclusie inzake:
[verdachte]
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 1 april 2016 het vonnis van de rechtbank Gelderland, waarbij de verdachte wegens “poging tot zware mishandeling” werd veroordeeld, vernietigd ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing over de vordering van de benadeelde partij en het vonnis voor het overige bevestigd. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro en hem de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van negen maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, één en ander zoals in het arrest vermeld.
Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte. Mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het
eerste middelbehelst onder meer de klacht dat de weigering van het hof een door de verdachte geschreven stuk, inhoudende zijn op schrift gestelde bezwaren (standpunten en verweren, met toelichting daarop), in ontvangst te nemen strijdig is met de in art. 414, eerste lid, tweede volzin, Sv aan de verdachte gegeven bevoegdheid om in hoger beroep nieuwe bescheiden over te leggen. Het hof heeft zijn weigering bovendien ontoereikend gemotiveerd.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 maart 2016 houdt, voor zover voor de bespreking van het middel relevant, het volgende in:
“Verdachte verklaart - zakelijk weergegeven - :
Het klopt dat ik heb gereden terwijl iemand op de motorkap van mijn auto lag. Dat is inderdaad niet goed. Ik heb daar spijt van. Maar de vraag is hoe dat zo kwam. Door aan het feit voorafgaande gebeurtenissen was ik emotioneel en verward. Dan heb ik het niet alleen over het feit dat ik haast had omdat ik naar patiënten moest maar er speelde meer. Ik heb het over gebeurtenissen die zich voordeden kort voordat ik doorreed met aangever op mijn motorkap.
Ik heb alles opgeschreven, om u inzicht te verschaffen in de relevante feiten en omstandigheden en de context.
U, voorzitter, zegt dat u later terugkomt op mijn schrijven en u vraagt of ik van mening ben dat de feiten en omstandigheden rechtvaardigen dat ik bleef rijden met een man op mijn motorkap.
Nee, ik geef toe dat dat niet goed was. (…)
(…)
Aan verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken.
Ik hoorde de advocaat-generaal een opmerking maken over de relativiteit van het belang van de snelheid en hij maakte een verwijzing naar de snelweg. Hier ging het om rijden binnen de bebouwde kom, met een snelheid van maximaal 50 km/h.
Ik wijs erop dat in verkeersreglementen regels staan voor het geven van een stopteken. Drie getuigen hebben verklaard dat aangever aan mij een stopteken heeft gegeven.
Wanneer je rijdt met een snelheid van 50 km/h kom je uit op een remweg van 9,5 m.
Ik was totaal verrast dat aangever daar stond en ik reageerde daarom emotioneel. Hij had mij een eenduidige, duidelijke boodschap moeten geven.
Ik heb mijn bezwaren in deze zaak op schrift gezet. Het is een combinatie van mijn eigen bezwaren en punten uit het deskundigenrapport geworden. Het is een stuk van 14 pagina’s.
De oudste raadsheer merkt op dat de behandeling van de zaak tegen het einde is gekomen.
De voorzitter merkt op - zakelijk weergegeven - :
In uw geval is uw verdediging bij pleidooi gevoerd door uw raadsman. Het hof kan daarom het door u geschreven stuk niet in ontvangst nemen, aangezien de advocaat- generaal daarop niet meer zal kunnen reageren.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 1 april 2016 te 14:00 uur.”
5. Ingevolge art. 414, eerste lid tweede volzin, Sv zijn de advocaat-generaal bij het hof en de verdachte bevoegd voor of bij de behandeling van een zaak in hoger beroep nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen. De uitoefening van die bevoegdheid is onderworpen aan de eisen die voortvloeien uit de beginselen van een behoorlijke procesorde. Een algemene regel in dat verband valt niet te geven. Van geval tot geval zal dus moeten worden beoordeeld of aan die eisen is voldaan, waarbij mede betekenis toekomt aan de (belastende dan wel ontlastende) aard van de over te leggen bescheiden of stukken en, indien het gaat om belastende bescheiden of stukken, aan de (al dan niet complexe) aard van de te berechten zaak en het stadium waarin de procedure zich bevindt. Ingeval bij de behandeling van een zaak in hoger beroep door de advocaat-generaal dan wel door de verdachte het verzoek wordt gedaan om nadere bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen, zal de rechter een afwijzende beslissing op een dergelijk verzoek dienen te motiveren aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaf. [1]
6. Het hof heeft overwogen het door de verdachte geschreven stuk niet in ontvangst te kunnen nemen. Daaruit leid ik af dat het hof de mededeling van de verdachte – inhoudende dat hij zijn bezwaren in deze zaak op schrift heeft gezet, dat het een combinatie van zijn eigen bezwaren en punten uit het deskundigenrapport is geworden en dat het een stuk van 14 pagina’s is – heeft verstaan als een verzoek dat stuk aan het dossier toe te voegen. Die uitleg acht ik niet onbegrijpelijk en leent zich niet voor een verdere toetsing in cassatie.
7. Het desbetreffende verzoek van de verdachte is aldus een verzoek in de zin van art. 414, eerste lid tweede volzin, Sv. Door te oordelen dat dit verzoek wordt afgewezen op de grond dat de verdediging van de verdachte bij pleidooi is gevoerd door diens raadsman en dat het hof daarom het stuk niet in ontvangst kan nemen, aangezien de advocaat-generaal daarop niet meer zal kunnen reageren, heeft het hof geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang. Het hof heeft ofwel de aan te leggen maatstaf bij de beoordeling van het verzoek miskend, ofwel, indien het dit niet heeft gedaan, zijn oordeel niet behoorlijk gemotiveerd. [2]
8. Indien het hof als zijn oordeel tot uitdrukking heeft willen brengen dat het overleggen van de op schrift gestelde bezwaren van de verdachte bij gelegenheid van het laatste woord in strijd is met de beginselen van een behoorlijke procesorde op de grond dat de advocaat-generaal op de inhoud van dat stuk niet meer zou kunnen reageren, kan ik het hof niet volgen. De voorzitter kan immers ingevolge art. 311, vijfde lid, Sv in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv na het in art. 311, vierde lid, Sv bedoelde “laatste woord” bepalen – voor zover hier relevant – dat stukken worden voorgelezen, waarna de advocaat-generaal en de verdachte nog het woord kunnen voeren. Voor zover het hof tot uitdrukking heeft willen brengen dat de omstandigheid dat de raadsman van de verdachte het pleidooi heeft gevoerd eraan in de weg staat dat het door de verdachte ingebrachte stuk aan het dossier wordt toegevoegd, kan ik het hof evenmin volgen.
9. Het hof lijkt bovenal het stadium van de procedure bij zijn beslissing tot afwijzing van het verzoek van de verdachte in aanmerking te hebben genomen. Dat is opmerkelijk. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt immers dat de verdachte reeds kort na de aanvang van zijn ondervraging door de voorzitter, zoals bedoeld in art. 286, eerste lid, Sv, kenbaar heeft gemaakt dat hij alles heeft opgeschreven om het hof “inzicht te verschaffen in de relevante feiten en omstandigheden en de context”. Daarop heeft de voorzitter gereageerd met de mededeling dat zij later terugkomt op het schrijven van de verdachte. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt dat de voorzitter dat niet uit eigen beweging heeft gedaan. Dat vervolgens aan de verdachte, die wel op zijn verzoek terugkomt, wordt tegengeworpen dat de behandeling van de zaak aan het einde is gekomen, verdraagt zich naar mijn mening niet met de eisen van een goede procesorde. Ook om die reden is het oordeel van het hof niet toereikend gemotiveerd.
10. Het voorafgaande leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak. [3] Voor zover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld. Voor de volledigheid wijs ik er nog op dat ook zonder nadere toelichting duidelijk is dat de verdachte een rechtens te respecteren belang heeft bij zijn klacht. De verdachte heeft kenbaar gemaakt het hof met het door hem geschreven stuk inzicht te verschaffen in de relevante feiten en omstandigheden en de context, kennelijk met het oog op de beantwoording van de vragen als bedoeld in de artikelen 348 en – met name – 350 Sv. [4]
11. Het voorafgaande betekent dat het middel voor het overige geen bespreking behoeft.
12. Ook het
tweede middel, dat zich keert tegen het oordeel van het hof dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, kan buiten bespreking blijven. Indien de Hoge Raad anders mocht oordelen en behoefte heeft aan een aanvullende conclusie, zal ik daartoe overgaan.
13. Het eerste middel slaagt. Het tweede middel kan buiten bespreking blijven. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie onder meer HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7709, NJ 2010/409.
2.Vgl. HR 15 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2592, rov. 2.3.2. Zie ook HR 5 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:2, NJ 2016/74.
3.Vgl. HR 12 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0317, NJ 1996/275.
4.Daarin verschilt de onderhavige zaak van HR 15 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2592.