ECLI:NL:PHR:2017:1179
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep in profijtontnemingszaak
Het gerechtshof Amsterdam bevestigde op 18 december 2015 het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 7 februari 2013 waarin aan verdachte de verplichting werd opgelegd tot betaling van € 10.000 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Verdachte stelde op 31 december 2015 cassatie in tegen dit vonnis. Het dossier werd op 23 juni 2016 ontvangen door de griffie van de Hoge Raad. Vervolgens werd op 22 juli 2016 de aanzegging van artikel 435 lid 1 Sv Pro betekend namens de Procureur-Generaal.
Binnen de in artikel 437 Sv Pro gestelde termijn werd echter geen schriftuur met middelen van cassatie ingediend door een advocaat namens verdachte. Hierdoor kon het cassatieberoep niet-ontvankelijk worden verklaard. De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van middelen binnen de gestelde termijn.