Conclusie
1. Het doden van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en het medeplegen
eersteen
tweede middelrichten zich tegen de oordelen van het hof dat de verdachte en [medeverdachte 3] als medeplegers van de levensberoving van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] kunnen worden aangemerkt (eerste middel) en dat de verdachte daarbij met voorbedachte raad heeft gehandeld (tweede middel). Deze oordelen geven volgens de steller van het middel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, of zijn ontoereikend gemotiveerd. Aangezien beide middelen opkomen tegen de feitelijke vaststellingen en gevolgtrekkingen die het hof aan de bewezenverklaringen ten grondslag heeft gelegd, lenen zij zich voor een gezamenlijke bespreking.
derde middelklaagt dat het oordeel van het hof dat de verdachte een vuurwapen voorhanden heeft gehad blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend is gemotiveerd.