ECLI:NL:PHR:2017:1235

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 september 2017
Publicatiedatum
14 november 2017
Zaaknummer
16/03508
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 435 lid 1 SvArt. 437 lid 2 SvArt. 3 Richtlijn 2010/64/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens niet tijdig indienen middelen

Verdachte is door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van 102 dagen en een taakstraf van 240 uren wegens medeplegen van opzetheling, witwassen en poging tot voordeel trekken uit misdrijf. Tegen dit vonnis is cassatieberoep ingesteld.

De raadsman van verdachte heeft zich weliswaar gesteld, maar heeft geen middelen van cassatie binnen de wettelijk voorgeschreven termijn ingediend. De aanzegging van het cassatieberoep is op 25 juli 2016 betekend, waarna binnen twee maanden een schriftuur met middelen had moeten worden ingediend.

Een verzoek om verlenging van de termijn wegens vermeende taalbarrière werd afgewezen omdat uit de processtukken bleek dat verdachte de taal van de procedure begreep. Hierdoor is het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-naleving van art. 437 lid 2 Sv Pro.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van middelen van cassatie.

Conclusie

Nr. 16/03508
Zitting: 26 september 2017
Mr. A.E. Harteveld
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 23 december 2015 door het gerechtshof Den Haag wegens het onder 1a en b bewezenverklaarde “eendaadse samenloop van medeplegen van opzetheling en medeplegen van witwassen”, het onder 2a en b bewezenverklaarde “eendaadse samenloop van medeplegen van opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken en medeplegen van witwassen” en het onder 3 a en b bewezenverklaarde “medeplegen van poging tot opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel te trekken”, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 102 dagen met aftrek en een taakstraf van 240 uren.
Er bestaat samenhang met de zaak 16/00081. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, heeft, hoewel hij zich op 6 oktober 2016 heeft gesteld, geen middel van cassatie voorgesteld.
Art. 437 lid 2 Sv Pro schrijft voor dat de verdachte door of namens wie beroep in cassatie is ingesteld, verplicht is binnen twee maanden nadat de in art. 435 lid 1 Sv Pro bedoelde aanzegging is betekend, bij de Hoge Raad door zijn raadsman een schriftuur te doen indienen, houdende zijn middelen van cassatie. Verzuim leidt tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep.
In de onderhavige zaak is de aanzegging ingevolge art. 435 lid 1 Sv Pro op 25 juli 2016 in persoon aan de verdachte op zijn BRP-adres betekend. Hoewel de raadsman van verdachte zich op 6 oktober, overigens na afloop van de termijn als bedoeld in art. 437 lid 2 Sv Pro, heeft gesteld, is binnen de daarvoor geldende termijn geen schriftuur ingediend. Wel heeft de raadsman op 11 oktober 2011 de rolraadsheer verzocht tot het bepalen van een nadere termijn voor het indienen van een schriftuur. De raadsman heeft zijn verzoek geschraagd door te stellen dat uit art. 3 Richtlijn Pro 2010/64/EU van het Europese Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 (hierna: de Richtlijn) [1] dient te volgen dat de procureur-generaal bij de Hoge Raad de aanzegging had moeten aanmerken als essentieel processtuk. Derhalve zou vanwege de Duitse nationaliteit van verdachte uit de Richtlijn voortvloeien dat de aanzegging had moeten worden vertaald in het Duits. Bij brief van 12 oktober 2016 is bericht dat dit verzoek door de rolraadsheer is afgewezen. De rolraadsheer heeft geoordeeld dat de voor art. 3 van Pro de Richtlijn geldende maatstaf inhoudt dat de verdachte de taal van de strafprocedure niet verstaat. De rolraadsheer heeft vastgesteld dat uit geen van de stukken blijkt dat dit het geval is. Dat blijkt in het bijzonder niet uit de processen-verbaal van de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep die inhouden dat de verdachte aldaar is verhoord zonder tolkenbijstand. Uit deze afwijzing van het verzoek om uitstel blijkt art. 437 lid 2 Sv Pro nog steeds het uiterste moment markeerde waarbinnen een schriftuur had moeten zijn binnengekomen bij de Hoge Raad.
6. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437 lid 2 Sv Pro niet in acht genomen, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.
7. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid van de verdachte in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Richtlijn betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures (PbEU L280/1).