Betrokkene is op grond van een voorlopige machtiging opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis en de officier van justitie verzocht om verlenging van deze machtiging. De rechtbank Limburg verleende op 16 mei 2017 de machtiging tot voortgezet verblijf voor een bepaalde termijn. Betrokkene stelde in cassatie dat zij geen stoornis van de geestvermogens en geen gevaar zou vertonen sinds februari 2017.
De Hoge Raad overweegt dat de Wet Bopz vereist dat niet alleen een stoornis aanwezig is, maar ook dat deze stoornis gevaar veroorzaakt dat niet door tussenkomst van derden buiten het ziekenhuis kan worden afgewend. Ondanks het feit dat betrokkene medewerking aan onderzoek weigerde, is op basis van medische verklaringen en een nader deskundigenrapport vastgesteld dat sprake is van paranoïde schizofrenie met recidiverende psychotische episodes.
De deskundige concludeerde dat hoewel op het moment van onderzoek geen symptomen zichtbaar waren, de beloopkenmerken wijzen op een chronische stoornis die gevaar veroorzaakt. De rechtbank achtte de kans op een nieuwe psychotische episode groot bij weigering van medicatie. Betrokkene stelde een alternatief voor met een signaleringssysteem, maar dit werd door de behandelaars en rechtbank afgewezen wegens het te grote risico.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank voldoende gemotiveerd heeft dat voldaan is aan de wettelijke vereisten voor de machtiging en dat het gevaar niet buiten het ziekenhuis kan worden afgewend. Het cassatieberoep wordt verworpen.