Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
Kamerstukken II, 1997-1998, 26 089 nr. 3, p. 34). Dit is ook het uitgangspunt in het vonnis van de Rechtbank Midden-Nederland van 24 april 2013 (ECLI:NL:RBMNE:2013:4109). Schelling q.q. is daarmee vanaf het moment dat de overeenkomsten met de eigenaren van de voertuigen zijn geëindigd niet langer in staat het genot van de voertuigen te verschaffen, en schiet vanaf dat moment tekort in de nakoming van de overeenkomst. Dit – op huur toegespitste – uitgangspunt is evengoed van toepassing op de huurkoop; ook in dat geval is de huurverkoper immers gehouden het gebruik van de zaak aan de huurverkoper te verschaffen.”
3.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.1, miskend dat aan de beëindiging van de aan de hoofdhuur verbonden rechtsgevolgen binnen de rechtsbetrekking tussen RTL/curator en Paccar respectievelijk MAN geen directe werking in de onderhuurrelatie kan worden verbonden. Het oordeel strookt, volgens het subonderdeel, niet met het relativiteitsbeginsel dat zou inhouden dat een overeenkomst en de daaruit voortvloeiende en daarmee verband houdende rechtshandelingen slechts verbintenissen doen ontstaan tussen de partijen bij deze overeenkomst, en aldus geen werking hebben jegens derden. Dit ligt, aldus het subonderdeel, ook besloten in art. 7:221 BW Pro, op grond waarvan de huurder in beginsel de bevoegdheid tot onderhuur toekomt en het einde van de hoofdhuur niet als zodanig en zonder meer meebrengt dat de onderhuurovereenkomsten tot een einde komen. Door te oordelen en verder tot uitgangspunt te nemen dat het einde van de hoofdhuur tussen RTL en Paccar respectievelijk MAN meebrengt dat zij als hoofdhuurder aan [verweerster] respectievelijk KAV niet meer het gebruik van de hen onderverhuurde/geleasete voertuigen kon verschaffen en reeds daarom jegens hen in de nakoming van haar verplichtingen uit de onderhuurovereenkomst(en) toerekenbaar tekortschoot totdat ook de onderhuurovereenkomst was geëindigd, heeft het hof ten onrechte en in strijd met het relativiteitsbeginsel aan het einde van de hoofdhuur rechtsgevolgen verbonden die (door)werken binnen de rechtsbetrekking tussen RTL en [verweerster] respectievelijk KAV. De onderhavige situatie, waarin de hoofdhuur is beëindigd en de onderhuur nog (rechtens en feitelijk) doorloopt, is, aldus het subonderdeel, niet wezenlijk anders dan in door de wetgever bedoelde gevallen [15] waarin het relativiteitsbeginsel meebrengt dat een door de hoofdhuurder aangegane ‘onbevoegde onderhuur’ de overeenkomst tussen de onderverhuurder en de onderhurende derde rechtens niet ongeldig doet zijn.
subonderdeel 1.3, ten onrechte geoordeeld dat het einde van de hoofdhuur betekent dat de hoofdhuurder niet meer in staat is het gebruik van de zaak aan de onderhuurder te verschaffen. Het hof is dan ook ten onrechte tot de slotsom gekomen dat RTL vanaf 30 november 2012 toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen uit de onderhuurovereenkomsten en dat [verweerster] gerechtigd was de onderhuurovereenkomst per 30 november 2012 partieel te ontbinden. In de zaak tegen KAV zou het hof ten onrechte hebben geoordeeld dat het einde van de hoofdhuur impliceerde dat RTL niet meer kon voldoen aan haar verplichtingen jegens KAV vanaf de ontbindingsverklaring van MAN op 3 december 2012, waardoor KAV niet meer gehouden was de onderhuurtermijnen te voldoen (
subonderdeel 1.4).
verschaffenen RTL was hiertoe na het einde van de hoofdhuurovereenkomst rechtens niet langer in staat.
Tyco Fire and Security Nederland/Delata: [19]
Subonderdeel 2.2faalt dan ook.
[A]/Grenkefinance: [24]
NJ2013/540).
Credit Suisse/Subwayvorderde de hoofverhuurder een vergoeding van de onderhuurder voor voortgezet gebruik. [25] Uw Raad overwoog als volgt:
Subonderdeel 2.3treft geen doel.
onderdeel 2.
subonderdeel 3.1eveneens.
Oosterhuis/Buitenhuis. [31] Voorts kan van betekenis zijn dat KAV in de onderhavige procedure in haar memorie van antwoord (randnummer 31) een beroep op opschorting heeft gedaan. De memorie van antwoord was in dit geval het laatste processtuk. Per saldo meen ik dat, gezien deze stand van zaken, een dergelijke afdoening op dit moment niet mogelijk is, aangezien de curator niet (voldoende) op zodanige verweren heeft kunnen reageren.
subonderdeel 3.3slaagt en moet leiden tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover gewezen in de verhouding met KAV.