Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeel(I.1) richt zich tegen rechtsoverweging 4.1 van het arrest, waarin het hof als volgt heeft overwogen:
Op grond van het voorgaandemoet worden aangenomen dat de door Plastica geleverde platen niet geschikt waren voor toepassing op het project IJburg en dat die daarom niet beantwoorden aan de tussen Plastica en Eskra Timmerwerken gesloten overeenkomst.’
locatie met hoog corrosieve omstandigheden
coastal(zeewaardige) varianten, die magnesium bevatten, en anderzijds niet-
coastalvarianten, en
coastalvariant wordt voorgeschreven omdat die variant qua corrosiewering betere eigenschappen heeft.
coastalvariant heeft geleverd en dat Plastica Eskra Timmerwerken bij het sluiten van de overeenkomst niet heeft meegedeeld dat de door haar geleverde variant niet geschikt is voor toepassing onder hoog corrosieve omstandigheden. Als Plastica heeft bedoeld te betwisten dat zij een niet-
coastalvariant heeft geleverd, moet die betwisting worden verworpen in het licht van haar eigen stelling dat in de geleverde platen de niet-magnesiumhoudende aluminiumkwaliteit AA1100 is toegepast (…)
coastalvariant onder hoog corrosieve omstandigheden. Zo is gesteld noch gebleken dat Eskra in het kader van eerdere leveringen bekend is geraakt met die beperkingen. Integendeel, Eskra heeft gesteld dat de litigieuze partij Alucopal de eerste was in een reeks leveringen en dat zij destijds dus nog geen ervaring had met dat product, laat staan ervaring met de beperkingen daarvan onder hoog corrosieve omstandigheden.
coastalvariant.’
tweede onderdeel(I.2) betoogt dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het ontbreken van concrete kennis bij Plastica over de hoog corrosieve omstandigheden op het project IJburg en de deskundigheid van Eskra bij de beoordeling niet relevant te achten, maar de theoretische kennis van Plastica over het fenomeen hoog corrosieve omstandigheden wél relevant te achten. Bij de beantwoording van de vraag of op de verkoper een mededelingsplicht rustte, moet immers acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval en dan met name (i) of de verkoper wist of had behoren te weten tot welk gebruik de zaak bestemd is en wat de bedoelingen van de koper waren en (ii) of de koper een professionele partij is, aldus het onderdeel.
coastalvariant en een niet-
coastalvariant, waarbij de eerstgenoemde variant voor wat betreft corrosiewering betere eigenschappen heeft. Plastica wist dit, [7] zodat zij Eskra Timmerwerken had moeten meedelen dat deze twee varianten bestonden. Als zij dat had gedaan, had Eskra Timmerwerken een geïnformeerde keuze kunnen maken. [8] Daarbij heeft het hof mede relevant geacht dat Plastica aan Eskra Timmerwerken informatie heeft verstrekt, waarin Alucopal (het materiaal van de geleverde platen) juist wordt aangewezen als een product dat niet gevoelig is voor vocht en waarin geen enkele toepassing of locatie wordt uitgesloten. Dit oordeel van het hof getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.
derde onderdeel(I.3) voert aan dat het hof artikel 24 Rv Pro heeft geschonden en ook buiten het rechtsdebat is getreden. Door Eskra is ter onderbouwing van haar stelling dat Plastica haar mededelingsplicht heeft geschonden, geen beroep gedaan op het feit dat Plastica haar ‘theoretische kennis over hoog corrosieve omstandigheden’ met Eskra had moeten delen. Volgens het onderdeel heeft Eskra niet gesteld dat Plastica had moeten uitleggen dat de platen niet geschikt zijn voor hoog corrosieve omstandigheden, maar is slechts gesteld dat Plastica bekend was met het concrete gebruik van de platen op het project IJburg en dat om díe reden de onderhavige platen niet aan de overeenkomst beantwoorden.
20. Eskra had derhalve geen reden om aan te nemen dat de toepassing van Alucopal platen voor het project in IJburg problemen zou kunnen geven. Het valt niet in te zien waarom een afnemer van de producten van Plastica zelf zou moeten verzinnen, dat het product niet overal toepasbaar is en dat er beperkende omgevingsfactoren aanwezig kunnen zijn.
vierde onderdeel(I.4) neemt tot uitgangspunt dat het hof aan rov. 4.3-4.6 ten grondslag heeft gelegd de concrete kennis van Plastica van de situatie ter plekke, oftewel dat Plastica wist dat op het project IJburg hoog corrosieve omstandigheden voordoen. Volgens het onderdeel zou het hof hiermee blijk hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van art. 149 Rv Pro en een ‘apert onbegrijpelijk oordeel’ hebben gegeven.
vijfde onderdeel(I.5) mist eveneens feitelijke grondslag, nu dat onderdeel tot uitgangspunt neemt dat het hof doorslaggevend heeft geacht dat Plastica ná het sluiten van de overeenkomst ter plaatse is geweest en dus vanaf dat moment concrete kennis over de situatie ter plaatse had. Dat het hof een dergelijke redenering heeft gevolgd, blijkt niet uit het arrest.
zesde onderdeel(I.6) en het
zevende onderdeel(I.7) bevatten alleen voortbouwklachten, die in het licht van het bovenstaande niet kunnen slagen.