ECLI:NL:PHR:2017:129

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 januari 2017
Publicatiedatum
7 maart 2017
Zaaknummer
15/03322
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27(a) SrArt. 437, tweede lid, Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens niet-indienen middelen bij verduisteringszaak

De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens meermalen gepleegde verduistering tot een taakstraf van 160 uur, subsidiair 80 dagen hechtenis, met aftrek conform art. 27(a) Sr. Daarnaast zijn betalingsverplichtingen opgelegd aan de verdachte ten behoeve van twee benadeelde partijen.

Tegen dit arrest is cassatieberoep ingesteld door de verdachte. Echter heeft de verdachte niet binnen de wettelijk gestelde termijn schriftelijke middelen van cassatie ingediend bij de Hoge Raad, zoals vereist onder art. 437, tweede lid, Sv.

Hierdoor is het voorschrift niet nageleefd en kan de verdachte niet in het cassatieberoep worden ontvangen. De Procureur-Generaal concludeert dan ook tot niet-ontvankelijkheid van de verdachte in zijn cassatieberoep. Deze beslissing is genomen tijdens de zitting van 17 januari 2017.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen.

Conclusie

Nr. 15/03322
Zitting: 17 januari 2017 (bij vervroeging)
Mr. P.C. Vegter
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 17 juni 2015 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “verduistering, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 160 (honderdzestig) uren, subsidiair 80 (tachtig) dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Voorts heeft het hof de vorderingen van twee benadeelde partijen toegewezen en aan de verdachte betalingsverplichtingen opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld.
Er bestaat samenhang met de zaken 15/02894, 15/02971, 15/03319 en 15/03321. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Namens de verdachte is geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend.
Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv, niet in acht genomen, zodat de verdachte niet in het beroep kan worden ontvangen.
Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG