Conclusie
tweede middelkomt, zoals gezegd op tegen de strafmotivering, in het bijzonder de overweging van het hof inhoudende dat de verdachte door zijn handelswijze de slachtoffers niet alleen financieel nadeel heeft berokkend, maar tevens het vertrouwen van de slachtoffers bij het doen van aankopen via internet heeft geschonden.
eerste middel– dat de klacht bevat dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden – heeft de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang, omdat naast dit middel slechts een middel is voorgesteld die aan de toepassing van art. 80a RO niet in de weg staat. [1]