ECLI:NL:PHR:2017:1294

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 oktober 2017
Publicatiedatum
28 november 2017
Zaaknummer
15/05496
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 326 SrArt. 337.1 onder a en b SrArt. 80a ROArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen oplichting en merkinbreuk via verkoop namaak iPhones

De verdachte is door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld tot zeven maanden gevangenisstraf, waarvan vier maanden voorwaardelijk, wegens medeplegen van oplichting en het in strijd handelen met het merkenrecht door verkoop van namaak iPhones via www.marktplaats.nl. Het hof oordeelde dat de verdachte samen met mededaders gedurende twee jaar op georganiseerde wijze slachtoffers financieel benadeelde en het vertrouwen bij internetaankopen schaadde.

In cassatie werd betoogd dat de strafmotivering onvoldoende was, met name dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat het vertrouwen van slachtoffers bij internetaankopen was geschonden. Daarnaast werd geklaagd over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.

De Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is omdat de middelen onvoldoende belang toekomen en de strafmotivering begrijpelijk is. Het hof had terecht geoordeeld dat het vertrouwen van de slachtoffers was geschonden, hetgeen niet nader gemotiveerd hoefde te worden. De klacht over de redelijke termijn werd eveneens verworpen.

De zaak hangt samen met een andere zaak (15/05495) en betreft een duidelijke toepassing van art. 326 Sr Pro en art. 337.1 Sr. De Hoge Raad bevestigt hiermee de rechtmatigheid van de opgelegde straf en de motivering daarvan.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de veroordeling tot gevangenisstraf blijft in stand.

Conclusie

Nr. 15/05496
Zitting: 31 oktober 2017 (bij vervroeging)
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 9 november 2015 door het Gerechtshof Den Haag wegens onder 1, “medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd” en onder 2, ‘’medeplegen van opzettelijk valse, vervalste of wederrechtelijk vervaardigde merken en waren, die zelf op hun verpakking valselijk zijn voorzien van de handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht heeft, verkopen, te koop aanbieden, afleveren, meermalen gepleegd’’ veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven maanden (waarvan vier maanden voorwaardelijk). Het hof heeft voorts de vorderingen van de benadeelde partijen (deels) toegewezen en aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander als bepaald in het bestreden arrest.
Deze zaak hangt samen met zaaknummer 15/05495. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Ik zal eerst het tweede middel bespreken dat betrekking heeft op de strafmotivering en vervolgens het eerste middel dat klaagt over de schending van de redelijke termijn. Het gaat in deze zaak om het verkopen van namaak Iphones via www.marktplaats.nl.
Het
tweede middelkomt, zoals gezegd op tegen de strafmotivering, in het bijzonder de overweging van het hof inhoudende dat de verdachte door zijn handelswijze de slachtoffers niet alleen financieel nadeel heeft berokkend, maar tevens het vertrouwen van de slachtoffers bij het doen van aankopen via internet heeft geschonden.
4.1. De strafmotivering van het hof luidt als volgt:
‘’Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft tezamen met zijn mededader(s) gedurende een periode van twee jaar via de internetsite www.marktplaats.nl een groot aantal mensen opgelicht door aan hen een nep-iPhone te verkopen. De verdachte ging hierbij zeer berekenend, en georganiseerd te werk. Aldus heeft de verdachte de slachtoffers niet alleen financieel nadeel berokkende, maar heeft hij ook het vertrouwen van de slachtoffers bij het doen van aankopen via internet geschonden. Daarnaast heeft de verdachte tezamen met zijn mededader door namaak-iPhones als echte Apple iPhones te verkopen, te koop aan te bieden en af te leveren in strijd gehandeld met het merkenrecht van Apple.
Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur.
Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 1 oktober 2015 zeer lang geleden, te weten in 1997 en in 2001, alleen is veroordeeld voor het overtreden van de Wegenverkeerswet 1994.
In hetgeen de raadsman bij pleidooi heeft aangevoerd omtrent de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet het hof, mede gelet op de proceshouding van de verdachte zoals daarvan is gebleken ter terechtzitting in hoger beroep, geen aanleiding om een andere strafsoort dan de gevangenisstraf op te leggen.
Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.’’
4.2. De steller van het middel voert aan dat 1) uit het verhandelde ter terechtzitting niet blijkt dat door de handelwijze van de verdachte het algemeen vertrouwen van de slachtoffers bij het doen van aankopen via internet is geschonden en 2) deze omstandigheid evenmin als feit van algemene bekendheid kan worden aangemerkt. Gelet hierop is de strafmotivering zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.
4.3. Ik kan de steller van het middel in het geheel niet volgen. Het hof heeft namelijk niet overwogen dat het ‘algemeen vertrouwen’ van de slachtoffers zou zijn geschonden maar overwogen dat de verdachte ‘’het vertrouwen van de slachtoffers bij het doen van aankopen via internet’’ heeft geschonden. Die overweging is gelet op de bewezenverklaring niet onbegrijpelijk en behoeft verder geen nadere motivering.
4.4. Het middel kan klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden.
5. Bij het
eerste middel– dat de klacht bevat dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden – heeft de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang, omdat naast dit middel slechts een middel is voorgesteld die aan de toepassing van art. 80a RO niet in de weg staat. [1]
6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7. Deze conclusie strekt tot de niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0129, NJ 2013/242 m.nt. Bleichrodt, rov. 2.2.4.