Conclusie
- i) Na verkoop in 1996 van zijn vleeskuikenbedrijf aan de gemeente Son en Breugel ter voorkoming van een onteigening is de heer [verweerder 2] (hierna: ‘[verweerder 2]’) vanaf 1 januari 1997 samen met zijn zoon, [eiser] (hierna: ‘[eiser]’), een pluimveebedrijf gaan exploiteren, dat voordien [verweerder 2] alleen uitoefende.
- ii) Op advies van Stichting ABAB – een in de agrarische branche gespecialiseerd adviesbureau op het gebied van accountancy, fiscaliteit en juridische zaken (hierna: ABAB) – exploiteerden [eiser] en [verweerder 2] het pluimveebedrijf in de vorm van een commanditaire vennoo-schap, waarbij [eiser] als beherend vennoot optrad en [verweerder 2] als commanditair vennoot. ABAB heeft de op 22 mei 1997 gedateerde akte, waarin de overeenkomst van commanditaire vennootschap is vastgelegd, opgesteld.
- iii) Van deze overeenkomst houdt artikel 10 onder Pro meer in :
:
gerechtigd het bedrijf van de vennootschap voort te zetten.”
1. In geval van beëindiging van de vennootschap verblijft krachtens scheiding en deling aan de vennoot sub 1 het aandeel van de vennoot sub 2[[verweerder 2]]
in het vennootschapsvermogen, onder de gehoudenheid de waarde van dat aandeel in geld uit te keren aan de vennoot sub 2. (…)
- iv) In 1999 zijn [eiser] en [verweerder 2] overeengekomen dat [eiser] het aandeel van [verweerder 2] in het pluimveebedrijf per 1 januari 2000 overneemt. ABAB heeft [eiser] en [verweerder 2] daarbij geadviseerd en de overnameprijs berekend.
- v) In verband met de overname is de waarde van het ingebrachte onroerend goed getaxeerd door ZLTO Vastgoed. [eiser] en [verweerder 2] hebben met het ter zake daarvan uitgebrachte taxatierapport d.d. 8 december 1999 ingestemd en ABAB opdracht gegeven het onroerend goed tegen de getaxeerde waarde in de overnameberekeningen op te nemen. In de door ABAB opgestelde overnamebalans is opgenomen dat [eiser] na overname van de activa en passiva van de vennootschap wegens overbedeling een bedrag van fl. 114.538,- aan [verweerder 2] verschuldigd is. Ook is opgenomen dat [verweerder 2] een bedrag van fl. 107.538 aan [eiser] verschuldigd is wegens geruisloze overdracht van belastinglatenties als bedoeld in artikel 17 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Per saldo diende [eiser] nog een bedrag van fl. 7.000,- aan [verweerder 2] te betalen.
- vi) Bij notariële akte d.d. 17 mei 2000 zijn alle zaken, rechten en verplichtingen van [verweerder 2] aan [eiser] overgedragen overeenkomstig de door ABAB opgestelde overnamebalans. [eiser] heeft het bedrag van fl. 7.000,- aan [verweerder 2] voldaan.
- vii) In 2000 heeft [verweerder 2] aan [eiser] nog een bedrag van fl. 295.000,- betaald ten titel van geldlening. In de jaren daarna is de schuld uit geldlening in delen door [verweerder 2] kwijtgescholden, zodat eind 2004 het saldo van het ter leen verstrekte bedrag nul was. In 2005 heeft [verweerder 2] aan [eiser] een bedrag van fl. 52.890,- geschonken.
- viii) ABAB is na de overname door [eiser] van het aandeel van [verweerder 2] als accountant en adviseur van [eiser] blijven optreden tot zijn overstap in 2006 naar een andere adviseur.
( [2] )Zij voeren opnieuw maar nu meer uitgewerkt onder meer, hier ook weer kort samengevat, het volgende aan. [verweerder 2] en [eiser] kwamen in 1997 tot de afspraak dat [verweerder 2] financiële steun aan [eiser] zou verlenen bij de exploitatie door laatstgenoemde van het van [verweerder 2] over te nemen pluimveebedrijf.
( [3] )De van de gemeente Son en Breugel ontvangen koopprijs stelde [verweerder 2] in staat die hulp te verlenen. Voor het verlenen van die hulp zou vooral ruimte zijn, indien door gebruik te maken van fiscale faciliteiten uitstel van de voldoening van de met de ontvangen kooprijs samenhangende inkomstenbelastingschuld van [verweerder 2] zou worden bewerkstelligd. Dan zouden er meer liquide geldmiddelen beschikbaar blijven. In verband hiermee is op advies van ABAB het bieden van de financiële hulp gegoten in de vorm van inbreng door [verweerder 2] tot een bedrag van maximaal NLG 1.000.000,- van goederen en geldmiddelen in de commanditaire vennootschap die [verweerder 2] voor een korte periode met [eiser] zou aangaan. Daarin was een bedrag van NLG 300.000,- opgenomen als vergoeding voor het overnemen door [eiser] van de inkomstenbelastingschuld die op [verweerder 2] zou komen te rusten in verband met de stakingswinst die hij geacht zou worden te maken bij het eindigen van zijn deelname in de commanditaire vennootschap. De tussen [verweerder 2] en [eiser] gemaakte afspraken en dat wat [verweerder 2] daadwerkelijk in de commanditaire vennootschap heeft ingebracht hebben meegebracht, dat via de commanditaire vennootschap uiteindelijk voor een bedrag van NLG 1.006.335,- aan vermogen van [verweerder 2] naar [eiser] is overgegaan. Na de overname eind 1999 door [eiser] van het aandeel van [verweerder 2] in de commanditaire vennootschap is overeenkomstig de bedoeling van [verweerder 2] en [eiser] de inkomstenbelastingschuld, die voor [verweerder 2] ontstond met betrekking tot de stakingswinst als gevolg van het beëindigen van de deelname in de commanditaire vennootschap, op de voet van artikel 17 Wet Pro Inkomstenbelasting 1964 naar [eiser] doorgeschoven. De hem in verband hiermee bij de berekening van de overnameprijs toegekende compensatie van € 107.538,- is de resultante van onderhandelingen hierover tussen [verweerder 2] en [eiser] [verweerder 2] was, gelet op wat hij aan vermogen al aan [eiser] had overgedragen, niet bereid hem een hogere compensatie te verstrekken. Hiermee is rekening gehouden bij de berekening van de prijs voor het door [eiser] overgenomen aandeel van [verweerder 2]. Mede hierom is die berekening niet onjuist. Een en ander brengt mee dat ABAB niet jegens [eiser] is te kort geschoten bij de berekening van de overnameprijs en voorts ook niet in het informeren en waarschuwen van [eiser]. Een en ander brengt tevens mee dat de gronden, waarop de schadevordering jegens [verweerder 2] rust, niet opgaan.
2.Bespreking van het principale cassatiemiddel
3.Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
“Dat [eiser] gehouden zou zijn de belastingclaim van [verweerder 2] over te nemen is niet gesteld noch gebleken.”Dit oordeel wordt als onbegrijpelijk bestreden.
gestelddat [eiser] gehouden zou zijn om van [verweerder 2] een belastingclaim over te nemen, is het oordeel wel onbegrijpelijk. Uit wat ABAB en [verweerder 2] in appel in 5.2, 5.3 en 6.2 van hun memorie van antwoord en in 19 en 20 van de Pleitnota van mr. Rottier naar voren brengen, blijkt dat zij – kort samengevat – hebben gesteld dat bij het aangaan van de overeenkomst van commanditaire vennootschap tussen [verweerder 2] en [eiser] is afgesproken dat [eiser] bij beëindiging door [verweerder 2] van zijn deelname in de commanditaire vennootschap de daaruit voor [verweerder 2] resulterende belastingschulden zal overnemen en dat [verweerder 2] via een extra-inbreng van NLG 300.000,- in de commanditaire vennootschap aan [eiser] een compensatie hiervoor zal doen toekomen.