ECLI:NL:PHR:2017:1308

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 november 2017
Publicatiedatum
5 december 2017
Zaaknummer
17/03182
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 445 SvArt. 98 lid 4 SvArt. 98 lid 2 SvArt. 30 lid 2 SvArt. 34 lid 3 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen beschikking rechter-commissaris in strafrechtelijk onderzoek advocaat

In deze zaak heeft een advocaat, die zelf betrokken is in een strafrechtelijk onderzoek, een bezwaarschrift ingediend tegen beslissingen van de rechter-commissaris. De rechtbank verklaarde dit bezwaarschrift deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond. Vervolgens stelde de advocaat cassatieberoep in tegen deze beslissing.

De Hoge Raad oordeelt dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is omdat de wet, met name art. 445 Sv Pro, alleen in bepaalde gevallen beroep in cassatie tegen beschikkingen toestaat, en de onderhavige beschikking daar niet onder valt. Hoewel de beschikking in de processtukken werd aangeduid als een beslissing op een klaagschrift ex art. 98 lid 4 Sv Pro, was er feitelijk geen sprake van een dergelijk klaagschrift.

De Hoge Raad bespreekt de verschillende bezwaren die de advocaat aanvoerde, waaronder bezwaren tegen de processtukken, de art. 98 Sv Pro procedure en de weigering van de rechter-commissaris om getuigen te horen. De rechtbank had de advocaat in al deze punten niet-ontvankelijk verklaard, en de Hoge Raad bevestigt deze beoordeling. Er is geen rechtsmiddel open tegen beslissingen van de rechter-commissaris op verzoeken van de verdachte, en daarom kan de advocaat niet worden ontvangen in het cassatieberoep.

De Hoge Raad benadrukt dat tegen de afwijzing van verzoeken aan de OvJ geen rechtsmiddel openstaat en dat de advocaat ook niet ontvankelijk is in het beroep tegen de weigering van de rechter-commissaris om onderzoekshandelingen te verrichten. De conclusie is dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is verklaard en het beroep niet kan worden behandeld.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de advocaat is niet-ontvankelijk verklaard omdat tegen de beschikking geen beroep in cassatie openstaat.

Conclusie

Nr. 17/03182 B
Zitting: 14 november 2017
Mr. G. Knigge
Conclusie inzake:
[betrokkene]
Bij beschikking van 31 mei 2017 is een namens de betrokkene ingediend bezwaarschrift door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene en mr. P.H.L.M. Souren, advocaat te Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
De betrokkene is advocaat. Het onderhavige bezwaarschrift is ingediend in het kader van een tegen hem ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Hoewel de bestreden beschikking in de “Akte rechtsmiddel” en de “Herstel op akte rechtsmiddel” wordt aangeduid als een beslissing op een klaagschrift ex art 98 lid 4 Sv Pro, is van een dergelijk klaagschrift naar aanstonds moge blijken, geen sprake. In de aanzegging is dan ook terecht een termijn van 30 dagen gesteld voor het indienen van cassatiemiddelen.
Voor de goede orde meld ik dat namens de betrokkene ook beroep in cassatie is ingesteld tegen een beschikking van dezelfde rechtbank van 14 juli 2017, waarin een namens de betrokkene ingediend klaagschrift ex art. 552a Sv ongegrond is verklaard (zaak 17/03535). Dit klaagschrift heeft naar het zich laat aanzien geen betrekking op geheimhouderstukken. Ik zie dan ook onvoldoende reden voor een gelijktijdige behandeling in cassatie.
De ontvankelijkheid van de betrokkene in het ingestelde cassatieberoep
5.1. De bestreden beschikking houdt in dat de rechtbank “meent” een drietal bezwaren “te kunnen opmaken” uit het ingediende bezwaarschrift en hetgeen door de raadsman tijdens de mondelinge behandeling van het bezwaarschrift naar voren is gebracht. Deze bezwaren, die door de rechtbank kort zijn weergegeven, betreffen blijkens die weergave: (1) bezwaren inzake de processtukken, (2) bezwaren tegen de art. 98 Sv Pro procedure en (3) bezwaren tegen de door de rechter-commissaris geweigerde getuigen. Over deze, mij overigens niet onbegrijpelijk voorkomende weergave van de aangevoerde bezwaren wordt in de cassatieschriftuur niet geklaagd.
5.2. Het onder (1) bedoelde bezwaar houdt blijkens de weergave van de rechtbank in dat de rechter-commissaris de OvJ geen termijn heeft gesteld tot verstrekking van alle processtukken. Tegen een beslissing van de rechter-commissaris op een verzoek van de verdachte als bedoeld in art. 30 lid 2 Sv Pro of art. 34 lid 3 Sv Pro stelt de wet geen rechtsmiddel open. [1] Dat betekent gelet op art. 445 Sv Pro dat de rechtbank de betrokkene in zoverre niet-ontvankelijk had moeten verklaren in zijn bezwaarschrift. Dat brengt mee dat de betrokkene in zoverre eveneens niet kan worden ontvangen in het ingestelde cassatieberoep.
5.3. Met betrekking tot het onder (2) bedoelde bezwaar heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“De rechter-commissaris heeft naar het oordeel van de rechtbank in zijn brief van 10 mei 2017 geen beslissing genomen. Van een beschikking dat beslag is toegestaan, is naar het oordeel van de rechtbank in die brief geen sprake, zodat daartegen geen bezwaren kunnen worden ingediend. De raadsman zal geduld moeten betrachten en de rechter-commissaris de gelegenheid moeten geven de art. 98 Sv Pro procedure zorgvuldig af te ronden, zoals aangekondigd in zijn brief. Verdachte is in dit verzoek niet-ontvankelijk.”
5.4. Tegen het feitelijke en geenszins onbegrijpelijke oordeel van de rechtbank dat de brief van 10 mei 2017 geen beslissing van de rechter-commissaris inhoudt, komt het middel tevergeefs op. De kennelijk aan het middel ten grondslag liggende opvatting dat het feit dat de “Beschikking doorzoeking” van 21 februari 2017 als oordeel van de rechter-commissaris inhoudt dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die maken dat het belang van de waarheidsvinding moet prevaleren boven het verschoningsrecht, meebrengt dat de rechter-commissaris op de voet van art. 98 lid 2 Sv Pro heeft bepaald dat van de inbeslaggenomen stukken kan worden kennisgenomen, kan niet als juist worden aanvaard. Dat betekent dat de rechtbank de betrokkene in zoverre terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaarschrift en dat het tegen die beslissing ingestelde cassatieberoep eveneens niet-ontvankelijk is.
5.5. Tegen de weigering van de rechter-commissaris om onderzoekshandelingen te verrichten waarom door de verdachte is verzocht, kan de verdachte op grond van art. 182 lid 6 Sv Pro binnen veertien dagen een bezwaarschrift indienen. Tegen de beslissing van de rechtbank op dat bezwaarschrift stelt de wet geen rechtsmiddel open. Dat betekent dat de betrokkene ook in zoverre niet in het ingestelde beroep kan worden ontvangen.
5.6. De slotsom moet zijn dat voor de gehele beschikking geldt dat daartegen geen beroep in cassatie openstaat en dat de betrokkene dus niet in het ingestelde beroep kan worden ontvangen.
6. Deze conclusie strekt ertoe dat de betrokkene niet-ontvankelijk wordt verklaard in het ingestelde beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Art. 126aa lid 5 Sv, waarvan in het bezwaarschrift eveneens gewag wordt gemaakt, geeft de verdachte of zijn raadsman het recht om de OvJ een verzoek te doen. Om een verzoek aan de rechter-commissaris gaat het hier niet. Tegen de afwijzing van het verzoek door de OvJ stelt de wet geen rechtsmiddel open.