ECLI:NL:PHR:2017:1308
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen beschikking rechter-commissaris in strafrechtelijk onderzoek advocaat
In deze zaak heeft een advocaat, die zelf betrokken is in een strafrechtelijk onderzoek, een bezwaarschrift ingediend tegen beslissingen van de rechter-commissaris. De rechtbank verklaarde dit bezwaarschrift deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond. Vervolgens stelde de advocaat cassatieberoep in tegen deze beslissing.
De Hoge Raad oordeelt dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is omdat de wet, met name art. 445 Sv Pro, alleen in bepaalde gevallen beroep in cassatie tegen beschikkingen toestaat, en de onderhavige beschikking daar niet onder valt. Hoewel de beschikking in de processtukken werd aangeduid als een beslissing op een klaagschrift ex art. 98 lid 4 Sv Pro, was er feitelijk geen sprake van een dergelijk klaagschrift.
De Hoge Raad bespreekt de verschillende bezwaren die de advocaat aanvoerde, waaronder bezwaren tegen de processtukken, de art. 98 Sv Pro procedure en de weigering van de rechter-commissaris om getuigen te horen. De rechtbank had de advocaat in al deze punten niet-ontvankelijk verklaard, en de Hoge Raad bevestigt deze beoordeling. Er is geen rechtsmiddel open tegen beslissingen van de rechter-commissaris op verzoeken van de verdachte, en daarom kan de advocaat niet worden ontvangen in het cassatieberoep.
De Hoge Raad benadrukt dat tegen de afwijzing van verzoeken aan de OvJ geen rechtsmiddel openstaat en dat de advocaat ook niet ontvankelijk is in het beroep tegen de weigering van de rechter-commissaris om onderzoekshandelingen te verrichten. De conclusie is dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is verklaard en het beroep niet kan worden behandeld.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de advocaat is niet-ontvankelijk verklaard omdat tegen de beschikking geen beroep in cassatie openstaat.