Conclusie
1.Inleiding
fair balancemiskent. Het hof Den Haag heeft die vraag ontkennend beantwoord. [1] De zaak hangt samen met zaak nr. 16/05210 waarin vandaag ook wordt geconcludeerd. De middelen en daarmee ook de conclusies in beide zaken zijn grotendeels identiek.
2.Feiten
decent profitontvangt of verlies op de exploitatie lijdt. Daarnaast vorderen Fair Huur c.s. verklaringen voor recht dat verhuurders van woonruimte recht hebben op een redelijk rendement, dat de leges van € 450 die verhuurders verschuldigd worden indien zij een beroep doen op de Huurcommissie in strijd is met de art. 6, 13 en 14 EVRM alsmede met de art. 14 en Pro 26 IVBPR. Ten slotte vorderen Fair Huur c.s. dat de Staat wordt veroordeeld in de integrale kosten van appellanten met betrekking tot het onderhavig proces, althans in de proceskosten.
4.Het bestreden arrest
fair balancetussen het nagestreefde doel en de belangen van de particuliere eigenaren/verhuurders (rov. 5.1 e.v.). Het concludeert dat niet is aangetoond dat het systeem in strijd is met art. 1 EP Pro (rov. 5.20). Daartoe overweegt het hof, samengevat, als volgt (overwegingen waartegen het middel klachten richt, worden geciteerd).
decent profitte realiseren, overweegt het hof:
decent profit) kan realiseren, reeds meebrengt dat geen
fair balancebestaat tussen het algemeen belang en de belangen van de verhuurder. De rechtbank zou het ontbreken van die mogelijkheid ten onrechte slechts als één van de, tegen het algemeen belang af te wegen, omstandigheden hebben beschouwd, aldus Fair Huur c.s.
decent profitkan realiseren, reeds meebrengt dat geen
fair balancebestaat tussen het algemene belang en de belangen van de verhuurder, vindt geen steun in de rechtspraak van het EHRM. Dit volgt reeds uit het arrest van het EHRM inzake [A] (hiervoor geciteerd), waarin het EHRM ten aanzien van één van de verzoekers overweegt dat, zelfs indien deze een huur ontvangt die niet zijn volledige kosten dekt, dit nog niet betekent dat sprake is van een
individual and excessive burden, aangezien deze verhuurder zich bewust moet zijn geweest van de beperkingen die verbonden waren aan de hoogte van de huurprijs toen hij besloot tot verhuur over te gaan.
decent profitte realiseren, merendeels in gevallen waarin de huur extreem laag was (bijvoorbeeld tussen € 0 en € 10 per maand, zie Statileo t. Kroatië no. 12027/10 § 138) en mede daaraan de conclusie verbonden dat sprake was van een
individual and excessive burden. Steeds speelden echter ook andere omstandigheden een rol, zoals het feit dat de verhuurders gedwongen werden een huurovereenkomst aan te gaan, althans niet de vrije keuze hadden bij het kiezen van een huurder. Dit betekent dat de grieven 1 tot en met 7 falen.”
fair balanceis getroffen is voorts van belang dat, naar tussen partijen ook niet in geschil is, in Nederland reeds sinds (in ieder geval) de Tweede Wereldoorlog een zekere vorm van huurprijsregulering en huurbescherming bestaat, aanvankelijk in de vorm van het Huurprijsbesluit 1940 en het Huurbeschermingsbesluit 1941, vanaf 1950 in de vorm van de Huurwet en vanaf 1979 in de vorm van de Huurprijzenwet woonruimte. Particulieren die na de Tweede Wereldoorlog woonruimte kochten om deze in de sociale sector te verhuren, of reeds verhuurde panden aankochten, wisten dat voor hen beperkingen zouden gelden ten aanzien van de hoogte van de huurprijs en de beëindiging van de huurovereenkomst en zij hadden de gelegenheid deze wetenschap in de aankoopprijs te verdisconteren. Fair Huur c.s. voeren ook niet aan, althans zij onderbouwen onvoldoende, dat zij de thans bestaande situatie niet hadden kunnen voorzien bij het verhuren van de woonruimte. Zo stellen Fair Huur c.s. bijvoorbeeld niets over de periodes waarin particuliere verhuurders tot verhuur zijn overgegaan en de verwachtingen die zij toen redelijkerwijs mochten hebben. Voor zover Fair Huur c.s. zich in dit verband beroepen op de fictieve rendementsheffing, waardoor de kosten van de verhuurder volgens Fair Huur c.s. in één klap substantieel stegen, komt het hof daarop hierna terug.”
fair balanceis getroffen acht het hof voorts van belang dat de vraag, of tot verhuur van woonruimte zal worden overgegaan volledig aan de eigenaar van dergelijke woonruimte is overgelaten. Ook heeft de verhuurder een aanzienlijke vrijheid bij de vraag aan wie hij zal verhuren. Weliswaar is op grond van de Huisvestingswet, die het voor gemeenten mogelijk maakt regels te stellen omtrent de verdeling van woonruimte, de kring van personen waaruit een verhuurder kan kiezen niet altijd onbeperkt, maar dat dit - op grote schaal - tot concrete problemen leidt is niet aannemelijk geworden. Niet is gesteld of gebleken dat verhuurders door dergelijke regelgeving onredelijk in hun keuzemogelijkheden worden beperkt, bijvoorbeeld doordat zij genoegen moeten nemen met insolvente huurders, of dat zij een ander dan theoretisch - bijvoorbeeld financieel - nadeel lijden als gevolg van de terzake geldende regels. De grieven 31 tot en met 34 falen reeds op deze grond; hetzelfde geldt voor grief 19 voor zover daarin dezelfde stellingen nog eens worden herhaald. Ook na afloop van een huurovereenkomst is de eigenaar geheel vrij om hetzij opnieuw tot verhuur over te gaan hetzij tot verkoop van de woonruimte over te gaan. Dit kan anders zijn indien de verhuurder van plan is de woning leeg te laten staan en deze valt onder een categorie die in die gemeente als schaars is aangemerkt, maar waarom verhuurders woningen zouden willen laten leeg staan is niet duidelijk, althans in zijn algemeenheid niet deugdelijk toegelicht. Ook hier is derhalve onvoldoende aangevoerd om te kunnen concluderen dat verhuurders in een reëel belang worden getroffen. Indien de verhuurder tijdens of na afloop van de huurovereenkomst tot verkoop overgaat komt de eventuele daardoor gerealiseerde winst geheel aan hem ten goede. Het EHRM heeft immers wel geoordeeld dat eigenaar een "
entitlement to derive profits from their property" heeft, maar niet dat die winst uitsluitend van verhuur afkomstig moet zijn. Winst kan ook worden gerealiseerd bij verkoop van de eigendom.”
decent profitof
minimal profitontvangen, dan wel in een situatie verkeren dat gesproken moet worden van een
individual and excessive burden. Het feit dat de exploitatie over een bepaalde periode niet of onvoldoende rendabel is, zegt nog niets over de vraag of dat ook het geval is indien de totale periode waarin de eigenaar de woning verhuurt in de beoordeling wordt betrokken (rov. 5.12).
fair balance(rov. 5.13-5.14).
fair balanceis getroffen. Dit zou anders kunnen zijn in uitzonderlijke situaties, maar daarvan is in dit geval niet gebleken. Uit een door Fair Huur c.s. aangehaald onderzoek van het Centraal Planbureau zou blijken dat de gereguleerde huren 50% lager zijn dan marktconforme huren (memorie van grieven onder 15). Dat acht het hof niet een uitzonderlijk groot verschil. In zoverre verschilt de situatie in Nederland dan ook van de zaken die beslist werd in het arrest van het EHRM inzake Statileo t. Kroatië (hiervoor geciteerd) waarin sprake was van een huur die een factor 25 lager was dan de markthuur (§ 139) en Bittó e.a. t. Slovakije (arrest van 8 januari 2014, nr. 30255/09) waarin de gereguleerde huur tussen de 14-26% van de markthuur bedroeg (§112-113).”
5.Bespreking van het cassatiemiddel
fair balancein de rov. 5.3 t/m 5.5, 5.9 en 5.15. Onderdeel 2 klaagt over de uitleg van het standpunt van Fair Huur c.s. in rov. 5.2 en onderdeel 9 over het oordeel in rov. 1.8 over de relevantie van de gewijzigde eis. Onderdeel 10 bevat een veegklacht.
subonderdeel 2.1bevat rov. 5.2 een onbegrijpelijke lezing van het standpunt van Fair Huur c.s. nu hun standpunt inhoudt dat ‘in beginsel’ het ontbreken van de mogelijkheid om een redelijk rendement (
decent profit) te realiseren, meebrengt dat er geen
fair balanceis.
Subonderdeel 2.2bevat een louter voortbouwende klacht.
decent profitkan realiseren niet volstaat voor de conclusie dat een
fair balanceontbreekt, omdat ook andere omstandigheden moeten worden gewogen (rov. 5.3-5.4).
fair balanceals de wetgeving een
decent profitverhindert (grief 1). Het niet kunnen behalen van een
decent profitwordt door Fair Huur c.s. aangemerkt als “een ondergrens” die door de overheid, “zeer specifieke situaties daargelaten”, niet mag worden doorkruist (MvG nr. 46, zie ook nrs. 39, 43 en 45). In deze stellingen kon het hof (mede) het in rov. 5.2 bedoelde ‘enkele feit’-standpunt (dat door Fair Huur c.s. overigens in subonderdeel 1.1 van het middel wordt verdedigd) lezen. Voor zover Fair Huur c.s. aanvoeren dat zij slechts een ‘in beginsel’-standpunt hebben willen innemen, valt niet in te zien (en het middel geeft dat ook niet aan) waarom het miskennen daarvan zou afdoen aan het oordeel van het hof in rov. 5.3-5.4.
decent profitte kunnen realiseren. Het hof specificeert in rov. 5.3-5.4 immers niet welk gewicht (in abstracto) toekomt aan de omstandigheid dat geen
decent profitkan worden behaald. Voor de beoordeling van de
fair balancedoor het hof in deze zaak maakt dit echter niet uit. In cassatie staat immers vast dat op geen enkele manier is onderbouwd of aannemelijk gemaakt dat het wettelijke systeem als zodanig tot gevolg heeft dat particuliere verhuurders in de sociale sector als regel of in de meerderheid van de gevallen al dan niet structureel verlies lijden, geen
decent profitof
minimal profitontvangen (rov. 5.12). Het hof kon daarom volstaan met zijn in rov. 5.3-5.4 bedoelde overweging. Gezien deze overweging in rov. 5.12, behoefde het hof niet afzonderlijk in te gaan op de betekenis van een
minimal profit(vgl. de s.t. van Fair Huur c.s. nrs. 1 en 7 en onderaan p. 10).
decent profit, althans een
minimal profit, althans een
break-evensituatie zou realiseren, althans wel verlies zou leiden. Nu niet kan worden aangenomen dat de met deze eiswijziging geïntroduceerde varianten zich voordoen (zie rov. 5.12, waarin ook de
break-evensituatie besloten ligt), is het oordeel in rov. 1.8 over de relevantie van deze eiswijziging niet onbegrijpelijk. Daarom faalt
onderdeel 9, waarin wordt geklaagd dat rov. 1.8 onjuist en/of ontoereikend is gemotiveerd (met een voortbouwende klacht die weer tegen rov. 5.2 is gericht).
subonderdeel 1.1is onjuist het oordeel in rov. 5.3, dat in de EHRM-rechtspraak geen steun is te vinden voor de opvatting dat het enkele gegeven dat een verhuurder van woonruimte (als gevolg van regelgeving) geen
decent profitkan realiseren al impliceert dat de
fair balanceontbreekt. Dit zou blijken uit bijvoorbeeld EHRM 10 juli 2014 (Statileo/Kroatië) [9] en EHRM 5 juli 2016 (Rudolfer/Slowakije). [10]
subonderdeel 1.2volgt de opvatting van het hof ook niet uit EHRM 2 juli 2013 ([A] c.s./Nederland) onder meer omdat die zaak zag op individuele gevallen en niet op het regelgevingsniveau. Dit is ook de invalshoek van
subonderdeel 3.1, dat ziet op rov. 5.4. Volgens
subonderdeel 3.2had het hof meer arresten van het EHRM in zijn beoordeling moeten betrekken.
decent profit(of zelfs maar een
minimal profit) kan realiseren, reeds betekent dat van een
fair balancegeen sprake is. Daartoe beroepen Fair Huur c.s. zich in het bijzonder (zie de s.t. nrs. 1 t/m 4 en 21 e.v.) op rechtspraak van het EHRM (i) waarin is overwogen dat “the exercise of State discretion in such situations may not lead to results which are manifestly unreasonable, such as amounts of rent allowing only a minimal profit” en (ii) waaruit zou volgen dat gereguleerde huurprijzen niet aanzienlijk lager mogen zijn dan de ongereguleerde (markt)prijzen. [11] Volgens Fair Huur c.s. (s.t. nr. 21) is hier sprake van ontwikkelingen in de rechtspraak van het EHRM met betrekking tot het (abstracte) recht op winst en de geconcretiseerde maatstaven redelijke winst, minimale winst en de verhouding met de markthuur.
fairbalance nog afzonderlijk aan bod in onderdeel 6.
decent profit(of zelfs maar een
minimal profit) kan realiseren − zich in Nederland als regel of in de meerderheid van de gevallen voordoet (vgl. rov. 5.12). Hieraan gaat voorbij het verwijt van Fair Huur c.s., dat het hof in zijn arrest “principieel geen recht doet aan het fundamentele recht op eigendom, inclusief het recht op een decent profit, althans dat een stelsel tot een evident onredelijk resultaat leidt indien slechts een minimale winst mogelijk is” (repliek nr. 4). [12] Gezien het principiële karakter van de zaak en mede met het oog op onderdeel 6 (dat ziet op het verschil tussen de gereguleerde huur en de markthuur) is het nuttig om de onderdelen 1 en 3 te bespreken. [13]
decent profitte kunnen realiseren speelde ook, toen op individueel niveau, in de zaken die de Hoge Raad in 2014 beoordeelde. Daarin is onder verwijzing naar EHRM 2 juli 2013, nr. 27126/11 ([A] c.s./Staat) onder meer overwogen: [14]
fair balanceop systeemniveau (c.q. regelgevingsniveau) aan de orde is en niet de beoordeling daarvan in een individueel geval aan de hand van de vraag of sprake is van een individuele onevenredige last. [15] Voor de door het middel opgeworpen kwestie maakt dat echter in zoverre geen verschil dat bij een toetsing op systeemniveau en bij een toetsing van individuele gevallen de betekenis van het ontbreken van de mogelijkheid om een
decent profitte realiseren aan de orde kan worden gesteld. Het verschil zit slechts in de vraag waaraan wordt getoetst: in de onderhavige zaak moet die toets worden verricht op systeemniveau (vgl. rov. 5.1 en 5.12), terwijl in zaken over individuele situaties uiteraard wordt getoetst aan de specifieke omstandigheden van dat individuele geval. Het feit dat EHRM 2 juli 2013, nr. 27126/11 ([A] c.s./Nederland) een toetsing van individuele gevallen betrof, staat er dan als zodanig ook niet aan in de weg om uit die zaak conclusies te trekken voor het beoordelingskader bij een toets op systeemniveau. [16] Dat is overigens ook wat het middel doet, nu onder meer EHRM 10 juli 2014 (Statileo/Kroatië) en EHRM 5 juli 2016 (Rudolfer/Slowakije), waarop het middel zich beroept, toetsing aan art. 1 EP Pro in individuele gevallen betroffen. Voor zover het middel in de
subonderdelen 1.2 en 3.1klaagt dat het hof miskent dat de onderhavige zaak het regelgevingsniveau betreft en niet de toetsing in individuele gevallen, faalt het dus.
subonderdeel 1.1. De rechtspraak van het EHRM tot en met de zaak [A] c.s./Nederland uit 2013 maakt naar mijn mening duidelijk, dat de verhuurder aan art. 1 EP Pro als zodanig geen recht op een redelijk rendement of
decent profitkan ontlenen indien daarmee wordt bedoeld dat wanneer de verhuurder geen redelijk rendement of
decent profitgeniet er dus sprake is van een schending van art. 1 EP Pro. Steeds zullen de relevante omstandigheden van het geval moeten worden getoetst. Ik besteedde daar eerder aandacht aan en concentreer mij daarom nu op de recentere uitspraken van het EHRM. [18]
minimal profit(en dus niet eens: een
decent profit)reeds schending van art. 1 EP Pro meebrengt.
fair balanceaan alle omstandigheden van het geval moet worden getoetst, waaronder de (financiële gevolgen van de) gereguleerde huurprijs, en – en hier zit de kern van de discussie [20] − dat de zojuist geciteerde overweging niet als een ‘harde ondergrens’ is bedoeld.
minimal profitkan worden behaald. [25]
fair balancemoet worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. Het eerste argument van subonderdeel 1.1 gaat daarom naar mijn mening niet op.
fair balance. Anders dan Fair Huur c.s. (s.t. nrs. 21, 55-56 en repliek nrs. 1-3) lees ik in de rechtspraak van het EHRM geen ontwikkeling die meebrengt dat het hof aan de twee door de onderdelen 1 en 3 bedoelde argumenten (
minimal profiten de verhouding tussen de gereguleerde huur en de markthuur) een andere betekenis had moeten toekennen dan het hof heeft gedaan.
profitdie groter is dan een
minimalprofit in de zin van de EHRM-rechtspraak een
decent profitzou zijn. Nu het hof een dergelijk oordeel niet heeft gegeven, faalt deze klacht bij gebrek aan feitelijke grondslag. De klachten in
subonderdeel 1.1falen.
subonderdeel 3.2heeft het hof art. 25 Rv Pro geschonden door niet (kenbaar) te toetsen of uit andere EHRM uitspraken of uit andere jurisprudentie volgt dat de opvatting van Fair Huur c.s. juist is, dan wel steun is te vinden in deze andere jurisprudentie. Deze klacht faalt bij gebrek aan feitelijk grondslag omdat het hof in rov. 5.3 overweegt dat de stelling van Fair Huur c.s. geen steun vindt in rechtspraak van het EHRM. Daaruit volgt dat het hof acht heeft geslagen op de relevante rechtspraak van het EHRM. Voor het overige voldoet de klacht niet aan de daaraan te stellen eisen nu niet wordt aangegeven welke ‘andere jurisprudentie’ het hof zou hebben miskend.
fair balancegetroffen is.
fair balance, als één van de relevante omstandigheden. Uit het arrest blijkt niet dat het hof daaraan de door het onderdeel bedoelde betekenis heeft toegekend.
fair balanceontbreekt, verwijs ik naar de bespreking van subonderdeel 1.1.
entitlement to derive profits from their property” hebben, maar niet dat die winst uitsluitend van verhuur afkomstig moet zijn.
decentof
minimal profitte maken wordt gecompenseerd door de mogelijkheid om te profiteren van een waardestijging van de verhuurde zaak. Een dergelijke onmogelijkheid is immers niet komen vast te staan (zie rov. 5.12). De bestreden overweging moet gelezen worden in het licht van de gehele rov. 5.9, waarin het hof onder meer ingaat op de vrijheid van de eigenaar om te beslissen of hij overgaat tot verhuur. Uitgaande van die vrijheid en de in rov. 5.5 bedoelde voorzienbaarheid van de gevolgen van de keuze om over te gaan tot verhuur in de sociale sector, is de beperking van de ”
entitlement to derive profits from their property” door het stelsel van huur(prijs)bescherming in de gevallen waarop het hof het oog heeft voor de desbetreffende eigenaren een gevolg van een keuze om tot verhuur in de sociale sector over te gaan in plaats van tot verkoop. De gevolgen van deze keuze zijn echter (ook) in zoverre niet onherstelbaar dat een waardevermeerdering van de zaak aan de eigenaar ten goede komt en deze desgewenst bij het einde van de huur kan worden gerealiseerd door verkoop. Voor zover het onderdeel veronderstelt dat het hof zou hebben geoordeeld dat eigenaren/verhuurders hun eigendom moeten ‘opgeven’ door tot verkoop over te gaan (vgl. de repliek nr. 8), berust het op een onjuiste lezing van het arrest.
fair balanceontbreekt, verwijs ik naar de bespreking van subonderdeel 1.1.
subonderdeel 6.1veronderstelt dat hof met zijn overweging (tevens) heeft geoordeeld dat de vergelijking tussen de gereguleerde huren en de markthuren niet relevant zou zijn, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof sluit immers de relevantie van deze omstandigheid niet uit, zoals ook blijkt uit zijn overweging: “Dit zou anders kunnen zijn in uitzonderlijke situaties maar daarvan is in dit geval niet gebleken.” Bovendien geeft het hof in rov. 5.15 ook een oordeel over het door Fair Huur c.s. met verwijzing naar een rapport van het CPB gestelde verschil tussen de gereguleerde huren en de marktconforme huren.
subonderdeel 6.1is het oordeel in rov. 5.15 onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd in het licht van EHRM 10 juli 2014, nr. 12027/10 (Statileo/Kroatië), EHRM 28 januari 2014, nr. 30255/09 (Bittó/Slowakije) en EHRM 5 juli 2016, nr. 38082/07 (Rudolfer/Slowakije).
fair balance. Dat oordeel lijkt mij juist, omdat de
fair balanceanders zou worden beoordeeld zonder alle relevante omstandigheden in acht te nemen. Daaraan doet niet af dat het EHRM in een bepaalde gevallen, soms bij gebrek aan andere gegevens, zijn oordeel over de
fair balancemede baseert op het verschil tussen de gereguleerde huurprijzen en de marktprijzen (zie bij de bespreking van subonderdeel 1.1).
subonderdeel 6.2faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft, anders dan dit subonderdeel veronderstelt, niet geoordeeld dat de enkele wetenschap van de verhuurders als bedoeld in rov. 5.15 al meebrengt dat de vergelijking van de gereguleerde prijzen en de marktprijzen geen goede maatstaf of relevante factor vormt.
subonderdelen 7.1 en 7.2zijn onjuist of ontoereikend gemotiveerd de oordelen in rov. 5.15 dat (i) het door Fair Huur c.s. gestelde verschil tussen de gereguleerde huren en de marktconforme huren van 50% niet uitzonderlijk groot is en (ii) dat de situatie in Nederland dan ook verschilt van die waarover het EHRM oordeelde in zijn uitspraken Statileo/Kroatië (gereguleerde huur was factor 25 lager dan de markthuur) en Bittó c.s./Slowakije (gereguleerde huur was 14-26% van de markthuur).
subonderdeel 7.1 en 7.2dienen te falen.
subonderdeel 7.3miskent het hof dat het niet gaat om een “uitzonderlijk groot” verschil, maar om de vraag of er een “te groot” verschil is tussen de gereguleerde huren en de markhuren om een
decent profitte kunnen realiseren.
decent profitte realiseren, geldt dat het hof in rov. 5.12 heeft overwogen, kort gezegd, dat niet is onderbouwd dat het wettelijk stelsel als zodanig als regel of in de meerderheid van de gevallen daarvan in de weg staat.
subonderdeel 7.4gaat uit van een onjuiste lezing van het arrest en faalt daarom bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft niet overwogen dat het gestelde verschil tussen de gereguleerde huren en de markthuren van 50% niet van belang is. Het hof heeft dit verschil in rov. 5.15 onvoldoende geacht om de beoordeling van de
fair balance(alleen) te laten afhangen van het verschil tussen de gereguleerde huren en de markthuren. De klachten in
onderdeel 7falen.
onderdeel 10. Het beroep moet daarom worden verworpen.