Conclusie
– Het oordeel van het hof
Parket bij de Hoge Raad
Het gerechtshof Amsterdam heeft verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur wegens schuldwitwassen van circa €850.000 contant geld, dat verdachte van een medeverdachte ontving en doorgaf, terwijl hij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het geld uit misdrijf afkomstig was.
De Hoge Raad behandelt het cassatieberoep tegen deze veroordeling. Het hof paste het toetsingskader toe dat witwassen kan worden bewezen zonder direct bewijs van brondelicten, indien het op grond van feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Verdachte had geen concrete, verifieerbare verklaring over de herkomst van het geld gegeven, en het hof achtte de verklaring van de medeverdachte over legale herkomst ongeloofwaardig.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof de bewijslast correct heeft toegepast en dat het oordeel dat verdachte met aanmerkelijke onvoorzichtigheid handelde, voldoende gemotiveerd is. Wel constateert de Hoge Raad een overschrijding van de redelijke termijn in cassatie, maar ziet geen aanleiding tot vernietiging van het vonnis. Het cassatieberoep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur wegens schuldwitwassen van circa €850.000 contant geld.