ECLI:NL:PHR:2017:1363

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 januari 2017
Publicatiedatum
18 december 2017
Zaaknummer
16/00205
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 onder B OpiumwetArt. 3 onder C OpiumwetArt. 80a ROArt. 359 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens onjuiste opvatting over verzoek om clementie

In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag verdachte veroordeeld wegens medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet en diefstal, waarbij een taakstraf werd opgelegd. Verdachte stelde in cassatie één middel voor, waarin werd betoogd dat een gemotiveerd verzoek om clementie een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt vormt in de zin van artikel 359 lid 2 Sv Pro.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad heeft geconcludeerd dat deze klacht klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden, omdat een verzoek om clementie niet kwalificeert als een standpunt met argumenten en ondubbelzinnige conclusie. Daarom dient het cassatieberoep niet-ontvankelijk te worden verklaard op grond van artikel 80a RO.

De Hoge Raad volgt deze conclusie en verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Er is tevens samenhang met een andere zaak (nr. 16/00287), die gelijktijdig wordt behandeld. Deze uitspraak bevestigt de strikte toepassing van ontvankelijkheidsvereisten in cassatieprocedures en verduidelijkt de status van verzoeken om clementie binnen het procesrecht.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens een onjuiste opvatting over het verzoek om clementie.

Conclusie

Nr. 16/00205
Zitting: 21 november 2017 (bij vervroeging)
Mr. W.H. Vellinga
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 5 januari 2016 door het Gerechtshof Den Haag wegens 1. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod”, 2. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod” en 3. “diefstal” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.
Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 16/00205 en 16/00287. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.
Namens de verdachte heeft mr. N. Roos, advocaat te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel berust op de onjuiste opvatting dat een gemotiveerd verzoek om clementie een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv Pro oplevert. Het vormt immers niet een standpunt, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie. [1]
5. De aangevoerde klacht kan derhalve klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden. Dit betekent dat het middel geen behandeling in cassatie rechtvaardigt. Het cassatieberoep dient daarom op de voet van art. 80a RO niet-ontvankelijk te worden verklaard.
6. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006, 393 m.nt. Y. Buruma, rov. 3.7.1.