ECLI:NL:PHR:2017:1376

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 november 2017
Publicatiedatum
19 december 2017
Zaaknummer
16/01901
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid van hernieuwd klaagschrift tegen beslag op verbeurd verklaarde geldbedragen

In deze zaak gaat het om een hernieuwd klaagschrift van klager tegen beslag op geldbedragen die op 9 december 2010 onder hem in beslag zijn genomen en die in een nog lopende strafzaak door de rechtbank verbeurd zijn verklaard. Het gerechtshof Den Haag heeft klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn klaagschrift omdat hij geen beroep heeft gedaan op nieuwe feiten en omstandigheden.

De Hoge Raad bevestigt dat klager alleen als verdachte in de strafzaak kan opkomen tegen de verbeurdverklaring van de geldbedragen en daarom geen zelfstandig belang heeft bij het klaagschrift. Het hof heeft de niet-ontvankelijkheid van klager terecht vastgesteld, ook omdat de belangen van de strafvordering zich verzetten tegen teruggave van het beslag zolang de strafzaak loopt.

Het cassatieberoep van klager wordt op grond van artikel 80a van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk verklaard. Hiermee wordt bevestigd dat de procedurele regels omtrent het klaagschrift en de bevoegdheden van de verdachte in strafzaken strikt worden nageleefd.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat klager geen belang heeft bij behandeling van het klaagschrift over verbeurd verklaarde geldbedragen.

Conclusie

Nr. 16/01901 B
Zitting: 21 november 2017
Mr. G. Knigge
Conclusie inzake:
[klager]
Het gerechtshof Den Haag heeft bij beschikking van 24 maart 2016 de klager niet ontvankelijk verklaard in een op de voet van art. 552a Sv ingediend klaagschrift.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en mr. A.F.M. den Hollander, advocaat te Rotterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3.1. Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat door de klager geen beroep is gedaan op nieuwe feiten en omstandigheden, zodat hij niet in zijn herhaalde klaagschrift kan worden ontvangen. Volgens de steller van het middel levert het beroep dat is gedaan op de overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling van het hoger beroep dat door het openbaar ministerie is ingesteld in de strafzaak tegen de klager wel degelijk een beroep op een nieuwe feit op.
3.2. Het hof stelt in de bestreden beschikking vast dat het klaagschrift strekt tot teruggave van de “inbeslaggenomen geldbedragen”. Daarmee doelt het hof kennelijk – en gezien de inhoud van het klaagschrift niet onbegrijpelijk – op de geldbedragen die op 9 december 2010 onder de klager in beslag zijn genomen. [1] Het hof stelt in de bestreden beschikking vast dat deze geldbedragen door de rechtbank verbeurd zijn verklaard in de strafzaak tegen de klager. Dat betekent dat de klager alleen tegen die verbeurdverklaring kan opkomen in zijn hoedanigheid van verdachte bij de behandeling van het ingestelde hoger beroep. En dat betekent weer dat het hof de klager in elk geval om die reden niet-ontvankelijk had moeten verklaren in het klaagschrift, zodat de beslissing van het hof hoe dan ook juist is.
3.3. Het voorgaande brengt mee dat de klager klaarblijkelijk geen belang heeft bij de behandeling van het ingestelde cassatieberoep. Ik wijs er daarbij nog op dat het hof “ten overvloede” heeft overwogen dat de belangen van de strafvordering zich gelet op de nog lopende strafzaak verzetten tegen de teruggave van de van de inbeslaggenomen geldbedragen. Tegen dat oordeel komt het middel niet op.
4. Op grond van het voorgaande concludeer ik dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk wordt verklaard.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie in het bijzonder punt 1 van het klaagschrift, waarin na een opsomming van deze geldbedragen wordt gesteld dat het klaagschrift dan ook “richt ziet” op de onrechtmatige inbeslagname van het totaalbedrag van € 1265, -. De vermelding in het klaagschrift van het conservatoir gelegde beslag ad € 70.000, - (bedoeld zal zijn: € 76.000,-) heeft kennelijk alleen een functie als argument dat daarmee “de belangen van de strafvordering ruimschoots zeker [zijn] gesteld” (zie de punten 12 en 13 van het klaagschrift).