ECLI:NL:PHR:2017:1380

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 november 2017
Publicatiedatum
19 december 2017
Zaaknummer
15/04859
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 onder A OpiumwetArt. 2 onder C OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 13 lid 2 OpiumwetArt. 140 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in zaak opiumwetdelicten

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf wegens medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet, deelname aan een criminele organisatie en voorbereidingshandelingen.

Namens de verdachte werd cassatieberoep ingesteld met drie middelen die onder meer het ontbreken van opzet, onvoldoende bewijs voor deelname aan een criminele organisatie en het ontbreken van een gestructureerd samenwerkingsverband betoogden. De Hoge Raad verwierp deze middelen omdat het hof de bewijsmiddelen voldoende had gemotiveerd en het standpunt van de verdediging toereikend had weerlegd.

Wel constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn overschreden was, waardoor de straf verminderd moest worden. De Hoge Raad vernietigde het arrest uitsluitend voor zover het de strafhoogte betreft en wees het cassatieberoep voor het overige af.

De zaak vertoont samenhang met een eerdere zaak waarin cassatie niet-ontvankelijk werd verklaard. De Hoge Raad verwees daarbij naar diverse bewijsmiddelen die het hof in het arrest had betrokken.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigde het arrest uitsluitend voor strafvermindering vanwege overschrijding van de redelijke termijn en wees het cassatieberoep voor het overige af.

Conclusie

Nr. 15/04859
Zitting: 21 november 2017
Mr. A.E. Harteveld
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. De verdachte is bij arrest van 20 oktober 2015 door het gerechtshof Den Haag wegens het onder 1 bewezenverklaarde “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, het onder 2 bewezenverklaarde, “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, en artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet”, het onder 3 bewezenverklaarde “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod”, het onder 4 bewezenverklaarde “een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voorbereiden, door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit”, het onder 5 bewezenverklaarde “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” en het onder 6 bewezenverklaarde “medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voorbereiden, door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit” veroordeeld tot vierentwintig maanden gevangenisstraf, met aftrek. [1]
2. Namens de verdachte is cassatieberoep is ingesteld. Hiertoe heeft mr. N. Roos, advocaat te Rotterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

3.Het eerste middel

3.1.
Het eerste middel klaagt dat het hof het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging inhoudende dat de verdachte niet het opzet had tot de uitvoer van de onder feit 1 bewezen verdovende middelen onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen. In de toelichting op het middel wordt daartoe gewezen op de aarzeling van enkele getuigen in de herkenning van de verdachte. Het hof heeft in afwijking van dat (uitdrukkelijk onderbouwd) standpunt de verdachte veroordeeld voor het medeplegen van het misdrijf als bedoeld in art. 2C jo. art. 10 lid 5 jo Pro 13 lid 2 Opiumwet. De betrokkenheid van de verdachte bij de opzettelijke aflevering en overdraging van heroïne en cocaïne in de bewezenverklaarde periode berust op door het hof opgenomen bewijsmiddelen. [2] Hieruit blijkt dat minstens één van de getuigen de verdachte zonder enige twijfel herkent. [3] Dat andere getuigen minder zeker zijn over hun herkenning doet daaraan niet af. Daarenboven heeft het hof, anders dan de steller van het middel wil, blijkens zijn arrest onder de kopjes “nadere bewijsoverweging” en “feit 1 primair” een (nadere) overweging gewijd aan de rol van verdachte bij de – samengevat – opzettelijke uitvoer van de drugs. Ook in deze overweging ligt, naast de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, de verwerping van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt besloten. Derhalve heeft het hof dat standpunt toereikend gemotiveerd verworpen.
3.2.
Het middel faalt.

4.Het tweede middel

4.1.
Het middel behelst de klacht dat niet uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie als bedoeld in art. 140 Sr Pro. Het middel klaagt in het bijzonder dat het bewezenverklaarde opzet, impliciet vervat in het bestanddeel deelnemen, onbegrijpelijk dan wel ontoereikend is gemotiveerd. Voor deelneming aan een criminele organisatie is vereist dat de verdachte in zijn algemeenheid wist dat dat de organisatie het oogmerk tot het plegen van misdrijven heeft. [4] Het middel kan evident niet slagen. Ik verwijs kortheidshalve naar de in de bijlage bij het arrest opgenomen bewijsmiddelen. [5] Het oordeel van het hof – samengevat - dat de verdachte binnen het georganiseerd verband zorg heeft gedragen voor de verkoop van (hard)drugs aan (Franse) toeristen in het grensgebied bij Maastricht en – kort gezegd - een eigen klantenkring had waarmee de verdachte daadwerkelijk een aandeel heeft gehad in, of heeft ondersteund, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het binnen de organisatie bestaande oogmerk, [6] is derhalve niet onbegrijpelijk noch ontoereikend gemotiveerd.
4.2.
Het middel faalt.

5.Het derde middel

5.1.
Het derde middel behelst de klacht dat hof onvoldoende gemotiveerd het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging heeft verworpen dat de verdachte ter zake van feit 2 vrijgesproken dient te worden. De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak betoogd, daar – samengevat – een gestructureerd samenwerkingsverband, waarin de rol van de verdachte voldoende duidelijk wordt, niet kon worden bewezen. Het middel kan evident niet slagen. Ik verwijs kortheidshalve naar de in de bijlage bij het arrest opgenomen bewijsmiddelen. In het bijzonder heeft het hof de verwerping van het verweer (nader) toegelicht in zijn arrest onder de kopjes “nadere bewijsoverweging” en “Feit 2”. Uit deze bewijsmotivering, alsmede de door het hof opgenomen bewijsmiddelen in de bijlage bij het arrest, blijkt dat het hof in afwijking van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging heeft geoordeeld dat dat – kort gezegd – de gebroeders [...] centraal stonden in de organisatie en (onder meer) de verdachte voor de verkoop en aflevering van drugs aan Franse toeristen in het grensgebied bij Maastricht zorgde, waarbij hij over een eigen klantenkring beschikte. Daarmee heeft het hof het standpunt van de verdediging voldoende gemotiveerd verworpen.
5.2.
Het middel faalt.
6. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan vierentwintig maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. In zoverre is de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid EVRM overschreden. Deze overschrijding van de redelijke termijn dient te leiden tot een verlaging van de opgelegde gevangenisstraf.
7. De middelen zijn – in alle onderdelen – tevergeefs voorgesteld en kunnen met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering worden verworpen.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Er bestaat samenhang met de zaak 15/04826. In deze zaak heeft de Hoge Raad op 6 december 2016 reeds uitspraak gedaan en op grond van art. 80a Wet RO het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard.
2.Ik verwijs in het bijzonder (onder meer) naar de bewijsmiddelen 10 tot en met 13 van zaakdossier 4, zaakdossier 5, 7, in het bijzonder de door het hof uit het vernietigde vonnis van de rechtbank overgenomen bewijsmiddelen genummerd 2 en 3 en de het door het hof opgenomen bewijsmiddelen 1-4 en verder zaakdossier 8, 11, 13 en 17.
3.Opgenomen in de in de vorige voetnoot opgenomen bewijsmiddelen 10-13 van zaakdossier 4.
4.HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0858, NJ 1998/225.
5.In het bijzonder bewijsmiddel 1 en de bewijsmiddelen opgenomen in zaakdossier 1, 3, 4, 5, 8, 9, 10 , 13 en 17.
6.HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:264.