ECLI:NL:PHR:2017:1386

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 november 2017
Publicatiedatum
20 december 2017
Zaaknummer
16/03423
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens onvoldoende motivering medeplegen hennepteelt

Het gerechtshof Den Haag heeft verdachte veroordeeld voor medeplegen van het telen en bewerken van een groot aantal hennepplanten in een woning te Rotterdam, waar verdachte tot 1 augustus 2013 zelf woonde. Het hof baseerde zich op onder meer vondsten van hennepafval, getuigenverklaringen en het gebruik van een auto van verdachte voor transport van spullen.

De verdediging voerde aan dat verdachte geen betrokkenheid had bij de hennepteelt en dat de kwekerij werd gerund door de huurder van de woning vanaf 1 augustus 2013. Het hof verwierp dit en oordeelde dat verdachte de hennepkwekerij niet kon zijn ontgaan.

De Hoge Raad stelt dat voor medeplegen een nauwe en bewuste samenwerking vereist is en dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat verdachte een dergelijke bijdrage heeft geleverd. De bewezenverklaring van medeplegen is daarom niet naar de eis der wet met redenen omkleed. De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.

Conclusie

Nr. 16/03423
Zitting: 7 november 2017
Mr. A.J. Machielse
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het gerechtshof Den Haag heeft verdachte op 28 juni 2016 voor: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand en tot het verrichten van een taakstraf van 120 uur.
2. Mr. M.M. Koers, advocaat te Rotterdam, heeft cassatie ingesteld en mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft een schriftuur ingezonden houdende een middel van cassatie.
3. Het hof heeft bewezenverklaard dat:
“hij in of omstreeks de periode van 10 juni tot 1 augustus 2013 te Rotterdam, in ruimte(n)/kamer(s) van een (woon-) pand, gelegen op of aan de [a-straat], tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft geteeld en bewerkt een groot aantal hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II."
4.1. Het
middelkeert zich tegen het bewijs van het medeplegen. De verdediging had aangevoerd dat de verdachte niets te maken had met de hennepteelt en dat de kwekerij werd gerund door de persoon die de woning met ingang van 1 augustus 2013 van verdachte had gehuurd, [betrokkene 1]. Deze heeft ook in die zin verklaard.
4.2. De politierechter had verdachte vrijgesproken en de officier van justitie is in hoger beroep gegaan. De officier heeft in de appelschriftuur de argumenten voor een veroordeling opgesomd.
4.3. Het hof heeft in het bestreden arrest onder het hoofd "Onrechtmatig binnentreden" de aanleiding voor het optreden van de politie uiteengezet. Verbalisanten zien op 19 juni 2013 de bestuurder en bijrijder van een auto die op naam staat van verdachte een growshop binnengaan en vervolgens met spullen het portiek op de [a-straat] betreden. Nader onderzoek doet het vermoeden ontstaan dat op het adres van verdachte een hennepkwekerij werd ingericht. Verdachte heeft antecedenten met betrekking tot de Opiumwet. Vervolgens overweegt het hof onder het hoofd 'Hennepteelt' het volgende:
“Uit de Rapportage diefstal energie blijkt dat.in de woning van verdachte op de vloer in de hennepkwekerijen droge afvalbladeren en droge resten van volgroeide hennepplanten zijn aangetroffen, kennelijk afkomstig van een eerdere hennepoogst. Ook werden een aantal scharen met restanten van hennepproducten aangetroffen, vermoedelijk gebruikt bij het knippen van een eerdere hennepoogst. Mede in aanmerking nemende dat de verdachte geen verklaring voor deze bevindingen heeft gegeven welke die gevolgtrekking zou kunnen ontkrachten leidt het hof uit deze bevindingen af dat er in hetzelfde pand in ieder geval sprake is geweest van één - aan de bij de binnentreding aangetroffen planten voorafgaande – hennepteelt en -oogst. Zoals ook in voormeld rapport aangegeven, en het hof ook als feit van algemene bekendheid veronderstelt, kan een hennepplant gemiddeld na 70 dagen worden geoogst.
De in de hennepkwekerij aanwezige hennepplanten waren ongeveer 50 dagen oud. Deze schatting is door de verdediging niet betwist en het hof heeft ook ambtshalve geen aanleiding om aan deze schatting te twijfelen. Ook sporen op de teeltapparatuur wijzen op een langere gebruiksduur dan 50 dagen.
Door Stedin Netbeheer B.V. is op grond van onder meer deze bevindingen een periode van in werking zijnde hennepkwekerijen aangehouden van 120 dagen, te weten de periode vanaf 10 juni 2013 tot en met 8 oktober 2013.
Het hof zal dezelfde periode aanhouden.
Verdachte en zijn medeverdachte [betrokkene 1] hebben verklaard dat verdachte tot 1 augustus 2013 (ook) zelf in de woning aan de [a-straat] woonde, van welke woning hij ook zelf de eigenaar was. [betrokkene 1] heeft voorts verklaard dat in 2013 niemand anders dan zij beiden in die woning woonden.
Het hof is van oordeel dat op grond van het voorgaande voldoende aannemelijk is geworden dat er, gedurende de periode dat verdachte in de woning woonde, een eerdere oogst is geweest. Naar het oordeel van het hof kan, ook vanwege de onlosmakelijk met voormelde hennepteelt samenhangende geur, geluiden en licht, de aanwezigheid van de hennepkwekerij de verdachte niét zijn ontgaan, zodat het verweer wordt verworpen."
4.4. Het hof heeft uit de vastgestelde feiten kunnen afleiden dat de hennepkwekerij in de woning van verdachte al bestond toen verdachte die woning zelf bewoonde. Eerst per 1 augustus 2013 huurde [betrokkene 1] de woning van verdachte. Dat de auto van verdachte zou zijn gebruikt om in juni 2013 spullen van de growshop naar de portiek, waar ook verdachtes voordeur op uitkomt, te vervoeren lijkt ook een indicatie voor enigerlei betrokkenheid van verdachte bij de hennepkwekerij. Maar de vraag is of uit de bewijsvoering door het hof kan volgen dat die betrokkenheid erin heeft bestaan dat verdachte het telen en bewerken van de hennep in zijn woning heeft medegepleegd.
4.5. Voor medeplegen is een nauwe en bewuste samenwerking vereist. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde intellectuele en/of materiële bijdrage van verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Wanneer niet kan worden vastgesteld dat de bijdrage van verdachte in de kern genomen bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, zal de rechter die toch tot een bewezenverklaring van medeplegen komt dat medeplegen nauwkeurig moeten motiveren. [1]
4.6. Naar mijn mening biedt de bewijsvoering van het hof onvoldoende grond voor het oordeel dat verdachte zo nauw en bewust met een ander heeft samengewerkt dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het bewezenverklaarde medeplegen.
Het middel is terecht voorgesteld.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 16 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:243; HR 28 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:336,