ECLI:NL:PHR:2017:141
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens niet-indienen middelen
Het gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 13 mei 2015 veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken wegens opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, onder C, van de Opiumwet. Verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit vonnis. Echter, binnen de in artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering gestelde termijn is niet gebleken dat namens verdachte een schriftuur met middelen van cassatie is ingediend door een advocaat. Hierdoor is het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard.
De conclusie tot niet-ontvankelijkverklaring werd op 17 januari 2017 door de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad uitgebracht. De zaak hing samen met meerdere andere zaken van medeverdachten, waarvoor gelijktijdig conclusies werden genomen. Dit arrest bevestigt het belang van het tijdig indienen van middelen in cassatieprocedures.
Er is geen inhoudelijke beoordeling van de strafzaak zelf gegeven, aangezien het cassatieberoep op procedurele gronden werd afgewezen. De uitspraak benadrukt de strikte naleving van termijnen in cassatieprocedures en de gevolgen van het niet naleven daarvan.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van schriftuur.