ECLI:NL:PHR:2017:1411

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 oktober 2017
Publicatiedatum
10 januari 2018
Zaaknummer
16/04245
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 435 SvArt. 437 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verdachte in cassatie wegens niet tijdig indienen middelen

Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 26 juli 2016 het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 3 april 2015 bevestigd, waarbij verdachte werd veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf wegens diefstal door twee of meer verenigde personen, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld.

Tegen dit arrest is cassatie ingesteld. De aanzegging van het cassatieberoep is op 26 oktober 2016 aan verdachte persoonlijk uitgereikt, en zijn raadsman is tijdig geïnformeerd. De wettelijke termijn voor het indienen van middelen van cassatie liep af op 27 december 2016.

Binnen deze termijn zijn echter geen middelen van cassatie ingediend. Hierdoor is verdachte niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep, conform artikel 437, tweede lid, Sv. De Procureur-Generaal concludeert daarom tot niet-ontvankelijkheid.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in cassatie wegens het niet tijdig indienen van middelen.

Conclusie

Nr. 16/04245
Zitting: 17 oktober 2017
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[verdachte]
Bij arrest van 26 juli 2016 heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 3 april 2015 bevestigd. In dat vonnis heeft de rechtbank de verdachte wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van voorarrest.
Er bestaat samenhang met de zaak met nummer 16/04441. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Tegen genoemd arrest is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld.
De aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv Pro is op 26 oktober 2016 aan de verdachte in persoon uitgereikt. Mr. G.E. Helder, advocaat te Bovenkarspel, heeft zich in cassatie als raadsman van de verdachte gesteld en is tijdig, bij brief van 28 oktober 2016, van de aanzegging aan zijn cliënt in kennis gesteld. De in het tweede lid van art. 437 Sv Pro gestelde termijn van twee maanden liep af op 27 december 2016. Er is gedurende deze termijn geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnengekomen.
Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG