Conclusie
1.De feiten
2.Het procesverloop
primair, aan de man op grond van art. 1:135 lid 3 BW Pro te vergoeden de gehele waarde van de opties van een bedrag van € 2.700.000,- en een bedrag van € 115.004,-, althans de huidige werkelijke waarde daarvan door de rechtbank naar redelijkheid en billijkheid vast te stellen, zijnde de waarde van de aandelen, en
subsidiair, tot betaling aan de gemeenschap bij wijze van schadevergoeding op grond van art. 1:164 BW Pro respectievelijk art. 6:162 BW Pro, per saldo aan de man te vergoeden een bedrag van de helft daarvan, zowel primair als subsidiair te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der verschuldigdheid tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof is van oordeel dat uit de door de vrouw overgelegde stukken, met name de opzeggingsbrief van de vrouw van 30 augustus 2009, de bevestiging opzegging arbeidsovereenkomst van [betrokkene], voorzitter van de raad van commissarissen, van 31 augustus 2009 (...) en de “Resolution Supervisory Board Kiadis Pharma B.V.” van 31 augustus 2009 (...) volgt dat de vrouw met ingang van 1 september 2009 haar dienstverband met Kiadis Pharma heeft beëindigd. Dat de vrouw nadien op basis van een managementovereenkomst en de aanvulling daarop van 24 maart 2011 (...) sinds 4 september 2009 management- en consultancydiensten voor Kiadis Pharma verricht, aanvankelijk als zelfstandige en per 1 maart 2011 als werkneemster in dienst van Linge Bioscience B.V. maakt dit niet anders.”;
Uit de hiervoor genoemde brief van [betrokkene] en diens verklaring van 9 februari 2011 (...) blijkt voorts dat de aan de vrouw toegekende opties overeenkomstig het optiereglement bij het einde van het dienstverband zijn komen te vervallen. Dit volgt ook uit de “Rules of the Kiadis Pharma B.V. 2007 Share Option Plan” (..). Dat de vrouw gecompenseerd is voor het wegvallen van de optierechten is in het licht van de hiervoor genoemde verklaring van [betrokkene] en op grond van de door de vrouw overgelegde aangiftes Inkomstenbelasting 2009 en 2010 niet aannemelijk geworden.”;
Uit het bedoelde optiereglement volgt dat de optierechten persoonsgebonden en niet overdraagbaar zijn. Voorts gaat het in de onderhavige zaak om voorwaardelijk toegekende rechten waarvoor geen garantie is afgegeven dat zij op enig moment uitoefenbaar zijn. Uit het rapport van Deloitte Financial Advisory Services B. V. van 10 augustus 2009 volgt dat de aandelen van Kiadis Pharma, noch de opties op de beurs zijn genoteerd. Dit maakt dat de bepaling van de onderliggende waarde gebaseerd op koersen uit het verleden niet mogelijk is. De waarde van de optierechten wordt door Deloitte tegen die achtergrond op nihil gesteld, mede omdat door Kiadis Pharma geen dividend wordt uitgekeerd. Op grond van het voorgaande is het hof dan ook van oordeel dat de opties op het moment van beëindiging van het dienstverband door de vrouw geen waarde hadden. Daar doet niet aan af dat in het rapport van Price Waterhouse Coopers in juni 2007 de waarde van de opties van de vrouw op € 612.371,- is gesteld. Immers, dit rapport is destijds opgesteld met het oog op de beursgang van Kiadis Pharma die nimmer heeft plaatsgevonden.”
Een goed der gemeenschap staat onder het bestuur van de echtgenoot van wiens zijde het in de gemeenschap is gevallen (...)”) en was met uitsluiting van [de man] bevoegd tot uitoefening van alle daaraan verbonden bevoegdheden (artikel 1:90 lid 2 BW Pro zoals dat gold tot 1 januari 2012). Zij was noch jegens [de man] noch jegens enig ander gehouden tot het inroepen van de opties; een daarmee corresponderend recht van [de man] of een ander ontbreekt. Naar het oordeel van het hof valt niet in te zien dat zij door de opties niet op enig moment na toekenning in te roepen onrechtmatig heeft gehandeld jegens [de man] in de zin van artikel 6:162 BW Pro. Gesteld noch gebleken is dat het niet inroepen van de opties is aan te merken als een inbreuk op een recht van [de man] of een nalaten in strijd met een wettelijke plicht. Naar het oordeel van het hof zijn evenmin feiten of omstandigheden gesteld, die indien bewezen, zouden kunnen leiden tot het oordeel dat het niet inroepen van de opties door [de vrouw] in strijd is met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, in het bijzonder in de rechtsverhouding tussen (gewezen) echtgenoten. Dat alles geldt naar het oordeel van het hof zowel in de situatie dat de opties op enig moment na toekenning geen als ook voor het geval de opties wel enige waarde zouden vertegenwoordigen. Gelet op dat oordeel behoeft de door [de vrouw] gemotiveerd betwiste stelling van [de man] dat de opties voor het moment van ontslag wel enige waarde zouden hebben gehad geen beoordeling meer. In dit verband oordeelt het hof ten slotte dat ook indien [de vrouw] de middelen zou hebben gehad om de verzilvering van de opties te betalen (volgens [de man] een bedrag van ongeveer € 300.000,- wat [de vrouw] betwist) van enig onrechtmatig nalaten aan haar kant geen sprake is.
3.De bespreking van het cassatiemiddel
het niet inroepen van de opties in dit geval geen benadeling op[levert]
van de gemeenschap in de zin van artikel 1:164 lid 1 BW Pro” en dat het feit “
dat [de vrouw] geen gebruik maakte van de mogelijkheid (optie) aandelen te kopen in de gegeven omstandigheden niet[is]
aan te merken als verspilling van goederen van de gemeenschap in de zin van artikel 1:164 lid 1 BW Pro”. Volgens het subonderdeel heeft het hof daarmee miskend dat van de in deze wetsbepaling bedoelde benadeling van de gemeenschap sprake is indien een van de echtgenoten heeft nagelaten om over te gaan tot uitoefening van tot de gemeenschap behorende opties op aandelen die ten tijde van de uitoefeningsmogelijkheid een waarde hadden die beduidend hoger was dan de uitoefenprijs (in casu circa zeven à acht maal hoger). In het bijzonder doet die benadeling zich voor ingeval die echtgenoot zelfs, in plaats van tot uitoefening over te gaan, bewerkstelligt dat de opties vervielen of niet meer uitgeoefend konden worden, en indien financiering van de uitoefenprijs nu juist mogelijk was door verkoop van een deel van de aandelen die met de uitoefening van de opties verkregen zouden worden respectievelijk de opties zonder geld in te brengen verzilverd konden worden door een deel van de opbrengst van de uit te oefenen opties te gebruiken. Derhalve geven die oordelen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, aldus het subonderdeel.
nietovergenomen en geoordeeld dat ervan moet worden uitgegaan dat de opties (niet alleen op het moment van beëindiging van het dienstverband, maar ook) op het moment waarop deze volgens de man hadden kunnen worden uitgeoefend – vanaf iets meer dan twee maanden vóór de beëindiging, namelijk op 23 juni 2009 [6] – geen waarde hadden, daarmee aansluitend bij het (explicietere) oordeel van de rechtbank in die zin. Die had in rov. 5.16 van haar vonnis in eerste aanleg als volgt overwogen:
A-G] op de stellingen van de man met betrekking tot de benadeling ingevolge artikel 1:164 BW Pro ter zake van de optierechten reeds heeft beslist. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de man aangevoerd dat het gerechtshof nog niet heeft beslist op zijn stelling dat de vrouw de optierechten had kunnen uitoefenen voordat zij ontslag nam bij Kiadis Pharma en dat de optierechten toen nog wel waarde hadden, zodat zij op die wijze de gemeenschap heeft benadeeld. De rechtbank constateert echter dat deze stelling van de man reeds is beoordeeld door het gerechtshof, nu in dat oordeel ligt besloten dat de optierechten ook voor de ontslagname geen waarde hadden. Het gerechtshof heeft immers overwogen: “
Op grond van het voorgaande is het hof dan ook van oordeel dat de opties op het moment van de beëindiging van het dienstverband door de vrouw geen waarde hadden”. De man heeft tegen voormelde beslissing van het gerechtshof geen cassatie ingesteld, zodat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Ingevolge artikel 236 Rv Pro heeft deze beslissing tussen partijen derhalve gezag van gewijsde. Voor zover de man meent dat het gerechthof slechts geoordeeld heeft over de waarde van de optierechten op het moment van ontslagname en niet in de periode daarvoor, overweegt de rechtbank het volgende. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, en gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, is de rechtbank van oordeel dat de man onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de optierechten vóór de ontslagname door de vrouw nog een waarde hadden en konden worden verzilverd. Uit het rapport van Deloitte volgt immers, zoals ook het gerechtshof heeft overwogen, dat de waarde van de optierechten, zoals vermeld in het rapport van Price Waterhouse Coopers in juni 2007, niet langer gold, nu de beursgang van Kiadis Pharma niet heeft plaatsgevonden. (…) De rechtbank zal daarom aan die stelling van de man, die hij eerst ter gelegenheid van de comparitie van partijen naar voren heeft gebracht, als onvoldoende onderbouwd, voorbijgaan.”
onrechtmatigheeft gehandeld door de opties niet in te roepen – heeft overwogen dat een dergelijk handelen in geen geval als onrechtmatig kan worden gekwalificeerd “
zowel in de situatie dat de optiesop enig moment na toekenninggeen als ook voor het geval de opties wel enige waarde zouden vertegenwoordigen” (onderstreping toegevoegd) zodat “[g]
elet op dat oordeel (…) de door [de vrouw] gemotiveerd betwiste stelling van [de man] dat de opties voor het moment van ontslag wel enige waarde zouden hebben gehad geen beoordeling meer[behoeft]”. Die (algemene) overwegingen zien immers op de – voor de beoordeling van de onrechtmatigheid irrelevante – waarde van de opties, zonder daarbij enig onderscheid te maken in de gehele tijdspanne tussen de toekenning van de opties – hetgeen volgens de man geschiedde op 21 november 2006, 1 januari 2007 en 31 januari 2007 [7] – en de ontslagname van de vrouw per 1 september 2009, en dus niet (specifiek) op het voor de benadeling van art. 1:164 BW Pro slechts relevante, veel beperktere tijdvak vanaf zes maanden voorafgaande aan de aanvang van het (echtscheidings-)geding (zie lid 1), [8] en op het in het onderhavige geval slechts relevante – nog veel specifiekere en beperktere – tijdvak vanaf het moment dat de opties volgens de man konden worden uitgeoefend (23 juni 2009).
om het uitoefenen van die opties mogelijk te maken (…) naar tussen partijen vaststaat een financiering nodig[was]
van een substantieel bedrag”, indien en voor zover het hof daarmee tot uiting brengt van oordeel te zijn dat het in casu
nietmogelijk geweest zou zijn om de opties uit te oefenen door verkoop van een deel van de aandelen die met de uitoefening verkregen zouden kunnen worden respectievelijk om de opties zonder geld in te brengen te verzilveren door een deel van de opbrengst van de uit te oefenen opties te gebruiken. Volgens het subonderdeel heeft het hof niet (toereikend) gerespondeerd op de essentiële stellingen van de man:
at verkoop van de bedoelde aandelen[preferent aandelen A,
A-G]
zonder meer mogelijk was en het bedrag had opgeleverd dat nodig was voor het verzilveren van de opties (…) tegenover de gemotiveerde betwisting door [de vrouw] niet[is]
komen vast te staan.” Deze stellingen komen er nu juist op neer dat de financiering mogelijk was geweest met de door uitoefening van de opties te verkrijgen
gewoneaandelen, niet door verkoop van de – reeds in het bezit van [de vrouw] zijnde – preferente aandelen A.
door het niet inroepen van de opties en de daarmee gepaard gaande verkrijging van aandelen een mogelijk voordeel, bestaande in een (mogelijke) waardestijging van die aandelen, niet wordt genoten, (…) mede gelet op de geschetste omstandigheden evenmin[betekent]
dat sprake is van verspilling van die opties” onjuist dan wel ontoereikend gemotiveerd is, indien en voor zover het hof daarmee tot uiting brengt dat naar zijn oordeel slechts sprake zou zijn van benadeling of verspilling in de zin van art. 1:164 lid 1 BW Pro indien (vaststaat dat) de aandelen in waarde (zullen) stijgen. De man heeft namelijk nu juist gesteld:
Alleen al gelet op deze omstandigheden kan het niet uitoefenen van de optie bezwaarlijk worden aangemerkt als verspilling (…)”) – en derhalve als het hiertegen gerichte subonderdeel 1.2 niet slaagt, wat mijns inziens het geval is, het slagen van subonderdeel 1.3 alléén niet tot cassatie kan leiden – kan dit subonderdeel ook los daarvan geen doel treffen.
an sichniet bestrijden – kunnen dit oordeel van het hof Arnhem, en de uitleg en betekenis daarvan in de onderhavige procedure, niet (meer) beïnvloeden. De juistheid, begrijpelijkheid, rechtvaardigheid e.d. van dat oordeel kunnen hier immers, óók als die tekort zouden schieten, vanwege het gezag van gewijsde dat eraan toekomt, niet meer aan de orde komen. De man heeft deze stellingen
ofwelal in de procedure voor het hof Arnhem naar voren gebracht – waar dat hof ook reeds heeft geoordeeld over de waarde van de opties in het kader van de vraag of de vrouw de gemeenschap heeft benadeeld in de zin van art. 1:164 BW Pro door haar optierechten prijs te geven – althans had hij dat dáár dienen te doen als hij die stellingen beoordeeld had willen zien, waarna hij eventueel in cassatie had kunnen klagen dat het hof daarover onjuist of onbegrijpelijk heeft geoordeeld,
ofweldient hij dit te doen in het kader van een eventuele herroeping (zie art. 390 jo Pro. 382 e.v. Rv.; als ten minste aan de eisen daarvoor wordt voldaan). Een andere mogelijkheid komt hem niet toe; althans is in de onderhavige procedure voor een beoordeling van deze stellingen geen plaats. Het hof heeft in de onderhavige procedure ook niet in hoeven gaan op de in het subonderdeel genoemde stellingen, en om die reden kan zijn oordeel niet als onvoldoende gemotiveerd worden gekwalificeerd.
allerminst een zekerheid” was “[d]
at de ten gevolge van de uitoefening van de opties gekochte aandelen in waarde zullen stijgen”, maar dit “
louter speculatief” is en afhangt van “
toekomstige omstandigheden die noch voor [de vrouw] noch voor [de man] op het moment van uitoefening van de opties met zekerheid kenbaar of voorspelbaar” waren.
van een substantieel bedrag”, en overwogen dat niet kon worden geoordeeld dat partijen daarover de beschikking hadden op de manieren die de man hiertoe had aangevoerd: verkoop van de preferente aandelen A en geldlening van een vriend. Dat tussen partijen vaststaat dat daarvoor een substantieel bedrag nodig is, is, ook als de som € 346.831,- zou bedragen, in ieder geval verre van onbegrijpelijk. Voor de inhoudelijke overwegingen over de door de man aangevoerde manieren om aan geld te komen, maakt het evenmin verschil of het “
substantiële bedrag” neer zou komen op € 400.000,- of op € 346.831,-. Over de verkoop van de aandelen heeft het hof immers onder meer overwogen dat niet is komen vast te staan dat verkoop van de bedoelde aandelen zonder meer mogelijk was. Dat zou in ieder geval niet anders zijn als wordt uitgegaan van het door de man aangevoerde benodigde bedrag. Daarnaast heeft het hof nog overwogen dat ook niet is komen vast te staan dat verkoop het bedrag had opgeleverd dat nodig was voor het verzilveren van de opties. Ook daarover is niet zonder meer aannemelijk, en wordt door de man ook niet aangevoerd, dat dit anders zou zijn bij het door de man aangevoerde benodigde bedrag. Over de geldlening van een vriend heeft het hof overwogen dat gesteld noch gebleken is dat de man aan de vrouw destijds de mogelijkheid van een geldlening bij een vriend heeft voorgehouden of deze met haar heeft besproken. Ook hierin kan het door de man aangevoerde benodigde bedrag geen verandering brengen. Rov. 4.9 zou derhalve niet anders zijn uitgepakt als het hof, voor zover het dat al niet heeft gedaan, van het door de man aangevoerde benodigde bedrag zou zijn uitgegaan. Het subonderdeel faalt derhalve.
‘geen verspilling’-oordeel”) niet alleen onjuist, maar ook onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is.
bij het einde van het dienstverband” de aan de vrouw toegekende optierechten zijn komen te vervallen overeenkomstig het toepasselijke optiereglement; en
voorafgaand aanhaar ontslagname respectievelijk de beëindiging van haar dienstverband. Voor zover het hof zijn stelling anders heeft uitgelegd, is dit onbegrijpelijk. Derhalve valt niet, laat staan zonder meer, in te zien waarom uit de beslissingen met gezag van gewijsde (mede) zou volgen dat het door de man geëiste afgewezen zou moeten worden.
onrechtmatige handelenvan de vrouw door de niet-uitoefening van de opties, zoals uit het verdere verloop en de bewoordingen van rov. 4.8 duidelijk blijkt. Ook blijkt dit uit het feit dat het hof in rov. 4.8 een aparte overweging wijdt aan de vraag of uitmaakt of de vrouw de middelen zou hebben gehad om de verzilvering van de opties te betalen, terwijl het hof zich in rov. 4.9 nogmaals over die vraag buigt, maar dan in het kader van de beoordeling of sprake is geweest van benadeling van de gemeenschap in de zin van art. 1:164 lid 1 BW Pro. Hieruit volgt dat ook dit subonderdeel niet kan slagen.