Conclusie
medeplegen van opzetheling” en “
medeplegen van witwassen” en 2. “
medeplegen van een poging tot opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken”, veroordeeld tot een geldboete van € 8.000,-, subsidiair vijfenzeventig dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro, volgens de in het arrest nader bepaalde maatstaf.
eerste middelkomt met diverse klachten op tegen de bewezenverklaring van het onder 1, eerste cumulatief variant a, bewezen verklaarde “
medeplegen van opzetheling”, het onder 1, tweede cumulatief eerste variant, bewezen verklaarde “
medeplegen van witwassen” alsmede tegen het onder 2 bewezen verklaarde “
medeplegen van een poging tot opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken”.
“1.
variant a
Tweede cumulatief/alternatief:
eerste variant:
de herkomst en de vindplaats heeft verborgen en/of verhuld, terwijl hij, verdachte en zijn mededaders wisten dat die schilderijen — onmiddellijk of middellijk — afkomstig waren van enig misdrijf,
2.
het voeren van overleg/besprekingen met [betrokkene 1] over het aanbieden van deze schilderijen aan The International Art & Antique Loss Register Ltd en/of Lloyd’s of London en/of een andere verzekeringsmaatschappij en aan [betrokkene 2] (die zich voordeed als vertegenwoordiger van een verzekeringsmaatschappij) ten behoeve van een beloning en
het maken en verstrekken van een of meerdere foto’s van een of meer van deze schilderijen aan die [betrokkene 1] (om de authenticiteit vast te stellen) en
het spreken met die [betrokkene 2] en/of die [betrokkene 1] over de beloning (van 10% van de waarde van de schilderijen) en
schilderijen laten taxeren/bekijken door [betrokkene 2] en een derde (ten behoeve van een verzekeringsmaatschappij), teneinde een geldbedrag/beloning aan te nemen/te ontvangen,
geweest. [medeverdachte 3] heeft de schilderijen daarna lange tijd onder zich gehad met de wetenschap van de oplichting van de verzekeringsmaatschappij door [betrokkene 3]. De aanwezigheid van de schilderijen bij [medeverdachte 3] stond aldus van meet af aan in zodanig direct causaal verband met de verzekeringsoplichting dat gezegd kan worden dat de schilderijen van misdrijf afkomstig waren.
ten tijde van het voorhanden krijgen van die schilderijen wist dat het door misdrijf verkregen schilderijen betrof”. Wat betreft onderdeel (2) is bewezen verklaard dat de verdachte (en zijn medeverdachten) “
wist(en) dat die schilderijen — onmiddellijk of middellijk — afkomstig waren van enig misdrijf”. In onderdeel (3) bestrijkt het bewezen verklaarde opzet van de verdachte en zijn medeverdachten onder meer de omstandigheid dat de schilderijen ‘door misdrijf waren verkregen’. Kortom, toegesneden op de desbetreffende delictsbestanddelen oordeelt het hof telkens bewezen dat de verdachte ervan op de hoogte was dat de acht schilderijen door misdrijf waren verkregen c.q. van (of: uit) enig misdrijf afkomstig waren.
voorafgaand(grond)misdrijf. [9]
alleonderdelen van de bewezenverklaring, dat wil zeggen: onder 1, eerste cumulatief variant a, (onderdeel 1) het bewezen verklaarde medeplegen van opzetheling van de acht schilderijen; onder 1, tweede cumulatief eerste variant, (onderdeel 2) het bewezen verklaarde medeplegen van witwassen en onder 2 (onderdeel 3) het medeplegen van een poging tot opzettelijk uit de opbrengst van de door misdrijf verkregen schilderijen voordeel trekken. Op de grond “
dat een eventuele oplichting van de verzekeringsmaatschappij niets zegt over de herkomst van de schilderijen”,miskent het hof het wettelijk vereiste dat de schilderijen van misdrijf afkomstig dienen te zijn, aldus de steller van het middel. Zodoende werpt het middel — in de kern bezien — de vraag op of de in de bewezenverklaring genoemde schilderijen ‘door misdrijf verkregen goederen’ of voorwerpen ‘afkomstig zijn uit enig misdrijf’ betreffen.
zodanig causaal verband” stond met de aanwezigheid van de schilderijen bij [medeverdachte 3] thuis, dat gezegd kan worden dat de schilderijen “
van misdrijf afkomstig waren”. Daarbij oordeelde het hof “
dat het niet relevant is dat de verzekeringsfraude pas is gepleegd (kort) na de overdracht van de schilderijen aan [medeverdachte 3] en evenmin relevant is dat strikt genomen slechts de schadeuitkering het product daarvan is.”