ECLI:NL:PHR:2017:1498

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 december 2017
Publicatiedatum
30 januari 2018
Zaaknummer
16/01085
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359 SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ontnemingsvordering wegens wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt ondanks betwisting opbrengst

In deze zaak ging het om de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel door betrokkene uit de teelt van hennep. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had het vonnis van de politierechter bevestigd, waarbij het voordeel werd vastgesteld op €73.007 en betrokkene werd veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan de Staat.

Betrokkene stelde dat hij slechts €3.500 had verdiend met twee mislukte oogsten hennep, hetgeen hij ook tijdens het hoger beroep naar voren bracht. Het hof achtte deze verklaring niet geloofwaardig en baseerde zich op de verklaring van betrokkene bij de politie waarin geen melding werd gemaakt van mislukte oogsten. Het hof vond aannemelijk dat betrokkene de gehele opbrengst van de oogsten heeft genoten.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet verplicht was om nader te motiveren waarom het verweer van betrokkene werd verworpen, omdat het niet als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt werd gezien. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het opleggen van de betalingsverplichting van €73.007.

De conclusie bevat tevens een bespreking van het draagkrachtverweer dat tijdens het hoger beroep is gevoerd, maar dit heeft de uitkomst niet beïnvloed.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de betalingsverplichting van €73.007 aan de Staat wegens wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt.

Conclusie

Nr. 16/01085 P
Zitting: 12 december 2017
Mr. E.J. Hofstee
Conclusie inzake:
[betrokkene]
1. Bij uitspraak van 22 januari 2016 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland met overneming van gronden bevestigd [1] waarbij het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld op € 73.007,00 en aan de betrokkene de verplichting is opgelegd om dat bedrag aan de Staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 16/01083. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen.
3. Namens de betrokkene heeft mr. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem, één middel van cassatie voorgesteld.
4. Het
middelkeert zich met een motiveringsklacht tegen het (van de politierechter overgenomen) oordeel van het hof dat de verklaring van de betrokkene dat hij slechts € 3.500,- heeft verdiend niet geloofwaardig is, mede gezien hetgeen daaromtrent ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd.
5. Het door het hof bevestigde vonnis houdt in, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang:
“Gelet op de verklaring van veroordeelde acht de politierechter aannemelijk dat sprake is geweest van één oogst per pand. Het is niet geloofwaardig dat er uit één oogst een zeer geringe opbrengst volgt, dan zou het logisch zijn dat veroordeelde bij de politie had gesproken over een mislukte oogst. Dit heeft veroordeelde niet gedaan. De politierechter acht het derhalve aannemelijk dat veroordeelde uit de eerste oogst de gehele opbrengst heeft genoten. Het feit dat veroordeelde met deze opbrengst niet zijn schulden heeft afbetaald, laat onverlet dat hij de schuld die hij heeft gemaakt ten aanzien van de hennepkwekerij deels heeft afgelost. De politierechter stelt aldus vast dat, uitgaande van de berekening van het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie zoals opgenomen in het proces-verbaal, het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op € 73.007,00.”
6. Ter terechtzitting in hoger beroep is blijkens de aan het hof overgelegde en aan het proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitnota het volgende aangevoerd:
“Op pagina 106 van het dossier verklaart cliënt iets over de hoogte van de opbrengst. Hij verklaart hierover:
"Dat klopt absoluut niet. In het pand aan de [a-straat] nummer [2] was de oogst helemaal mislukt. De planten waren helemaal doorgeschoten. Er zaten bijna geen toppen aan. Ik denk dat ik hier nog 500 euro aan verdiend heb. In het pand aan de [a-straat] numero [1] is het eigenlijk hetzelfde verhaal. Ook daar is de oogst mislukt. Ik denk dat ik hier nog 3000 euro aan verdiend heb. "
Hiermee is de overweging van de politierechter in de bestreden uitspraak d.d. februari 2014, te weten dat het niet geloofwaardig is dat er uit één oogst een zeer geringe opbrengst volgt omdat het dan logisch zou zijn dat veroordeelde bij de politie had gesproken over een mislukte oogst niet alleen feitelijk weerlegt maar moet gelijktijdig worden vastgesteld dat cliënt hierover wel heeft verklaard hetgeen diens verklaring dus wel geloofwaardig maakt en cliënt dus - volgens de redenering van de politierechter - een beperkte opbrengst heeft genoten.
Deze verklaring van cliënt op zich maakt ondanks de feitelijke misslag van de politierechter zijn lezing van de feiten niet zonder meer aannemelijk. Maar er zijn vaststaande feiten die met deze verklaring over de mislukte opbrengst en de genoten opbrengst van C 3.500,00 de lezing van de feiten van cliënt aannemelijk maken.”
7. Hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, heeft het hof kennelijk niet genoopt tot het nader motiveren van de beslissing in eerste aanleg. Mogelijk is het hof van oordeel dat het aangevoerde voldoende wordt weerlegd in de bewijsvoering. Het kan echter ook zijn – en daar ga ik hier verder van uit – dat het hof het aangevoerde niet heeft gezien als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv. In dat geval kon het hof daaraan zonder nadere motivering voorbijgaan; indien een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt en een daarop betrekking hebbende responsieplicht niet aan de orde zijn, is de rechter vrij in de selectie en waardering van het bewijsmateriaal en hoeft hij zijn keuze dienaangaande niet nader te verantwoorden.
8. In navolging van de politierechter heeft het hof uit de verklaring van de betrokkene afgeleid dat er twee oogsten hebben plaatsgevonden. Dat acht ik niet onbegrijpelijk, waarbij ik het navolgende in aanmerking neem. Achter de papier muur bevindt zich het proces-verbaal van verhoor van de betrokkene d.d. 22 augustus 2012 met de volgende inhoud:
“V: Hoe vaak is er tot nu toe geoogst?
A: in pand [1] is eenmaal eerder geoogst. En in pand [2] is eenmaal eerder geoogst.
V: Wanneer hebben die oogsten plaatsgevonden?
A: nummer [1] ongeveer 3 weken geleden. En in pand [2] vier a vijf weken geleden.
V: voor wie is de oogst bestemd?
A: Daar geef ik geen antwoord op.”
Als de betrokkene de volgende dag wordt geconfronteerd met een berekening van de opbrengst, verklaart de betrokkene blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal van verhoor dat de oogsten grotendeels mislukt zijn en in totaal € 3.500,- hebben opgeleverd:
O: Gister heb je verklaard dat je twee eerdere oogsten hebt gehad, een in [a-straat 1] en een in [a-straat 2] . Wij hebben berekend hoeveel de opbrengst per oogst zou moeten zijn. In het pand op nummer [1] zou dat 42.140 euro moeten zijn en in het pand op nummer [2] zou dat 30.867 moeten zijn.
V: Wat kan je daar over zeggen?
A: Dat klopt absoluut niet. In het pand aan de [a-straat] nummer [2] was de oogst helemaal mislukt. De planten waren allemaal doorgeschoten. Er zaten bijna geen toppen aan. Ik denk dat ik hier nog 500 euro aan verdiend heb.
In het pand aan de [a-straat] nummer [1] is het eigenlijk hetzelfde verhaal. Ook daar is de oogst mislukt. Ik denk dat ik hier nog 3000 euro aan verdiend heb.”
De politierechter heeft klaarblijkelijk gelet op de eerste verklaring van de betrokkene afgelegd bij de politie waarin de betrokkene niet heeft gezegd dat de oogst mislukt was.”
9. Met de politierechter heeft het hof de betrokkene gehouden aan zijn verklaring op 22 augustus 2012 waarin hij erkent dat hij tweemaal heeft geoogst. Deze keuze is niet onbegrijpelijk en behoefde, als gezegd, in het licht van hetgeen de verdediging te dien aanzien op ‘s hofs terechtzitting naar voren heeft gebracht geen nadere motivering.
10. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
12. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Met bespreking van een ter terechtzitting in hoger beroep gevoerd draagkrachtverweer.