Conclusie
middelklaagt dat het hof de aan de verdachte opgelegde deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf onbegrijpelijk, althans onvoldoende heeft gemotiveerd, mede in het licht van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging.
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens meerdere verkeersovertredingen, waaronder rijden onder invloed en rijden terwijl de rijbevoegdheid was ontzegd. Het hof legde een gevangenisstraf van vier weken op, waarvan twee weken voorwaardelijk, en ontzegde de rijbevoegdheid voor zes maanden. De verdachte stelde in cassatie dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom niet volstaan kon worden met een taakstraf.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof in de strafmotivering duidelijk en begrijpelijk heeft aangegeven waarom een vrijheidsbenemende straf noodzakelijk was, mede gelet op de ernst van de feiten en eerdere veroordelingen van de verdachte. De motivering voldoet daarmee aan artikel 359, zesde lid, Sv. Het cassatieberoep faalt en wordt verworpen.
De Hoge Raad benadrukte dat in cassatie niet kan worden getoetst of de strafmaat passend is, maar slechts of de motivering voldoet aan de wettelijke eisen. De strafoplegging is in overeenstemming met de aard en ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verbeurdverklaring van de auto en de rijontzegging blijven gehandhaafd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf en rijontzegging.