De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot vier weken gevangenisstraf wegens medeplichtigheid aan diefstal van een navigatiesysteem uit een auto. De verdediging stelde dat de verklaringen van getuigen die de diefstal zouden hebben waargenomen onbetrouwbaar waren vanwege de afstand tussen hun woonadres en de plaats van de diefstal, en dat de verdachte op het moment van de diefstal elders was.
De verdediging voerde aan dat er geen wettig en overtuigend bewijs was en dat de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] niet konden worden gebruikt omdat zij de diefstal onmogelijk konden hebben gezien. Het hof oordeelde echter dat de verklaringen van deze getuigen overeenstemden en dat er geen reden was om aan hun betrouwbaarheid te twijfelen. Het hof motiveerde zijn afwijking van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging voldoende.
De Hoge Raad bevestigt dat het aan de feitenrechter is om te bepalen welke bewijsmiddelen betrouwbaar zijn en dat het hof zijn motivering omtrent de getuigenverklaringen voldoende heeft gegeven. Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee de veroordeling van de verdachte in stand blijft.