Op 16 maart 2017 bevestigde het hof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de rechtbank Gelderland waarbij verdachte werd veroordeeld voor meermalen gepleegde gekwalificeerde diefstal met geweld. Het hof legde een gevangenisstraf van vier jaar op en kende de vordering van de benadeelde partij toe.
Verdachte stelde cassatie in tegen het arrest. De Hoge Raad oordeelde dat het hof het juiste criterium had toegepast bij het afwijzen van het verzoek om de zaak gelijktijdig te behandelen met die van de medeverdachte, maar dat de motivering van deze afwijzing onvoldoende was. Het hof had niet duidelijk gemaakt waarom het niet noodzakelijk was de zaken samen te behandelen en de medeverdachte te horen.
Ook het verzoek om aanstelling van een deskundige over de betrouwbaarheid van de herkenning werd door het hof afgewezen zonder voldoende motivering, terwijl de verdediging concrete bezwaren had aangevoerd. Het derde middel, gericht op de motivering van de bewezenverklaring, faalde omdat het hof binnen zijn beoordelingsvrijheid bleef.
De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe beoordeling van het beroep op basis van een deugdelijke motivering.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.
Conclusie
Nr. 17/01507
Zitting: 19 december 2017
Mr. A.J. Machielse
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Op 16 maart 2017 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, het vonnis van de rechtbank Gelderland van 2 augustus 2016, waarbij verdachte voor 1: Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning door twee of meer verenigde personen, en 2: Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd, is veroordeeld, bevestigd, behoudens ten aanzien van de strafoplegging, de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel. Het hof heeft verdachte een gevangenisstraf van vier jaar opgelegd, de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd zoals in het arrest omschreven.
2. Verdachte heeft cassatie doen instellen en mr. M.A.C. de Bruijn, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende drie middelen van cassatie.
3.1. Het eerste middelklaagt over de afwijzing door het hof van een verzoek om aanhouding. Het verzoek om aanhouding was erop gericht om de zaak tegen verdachte tegelijkertijd, maar niet gevoegd, te behandelen met de zaak tegen de medeverdachte, zodat de medeverdachte als getuige zou kunnen worden gehoord in de zaak tegen verdachte. De verdediging had op zo een gelijktijdige behandeling gerekend en daarom de medeverdachte niet afzonderlijk doen oproepen. Ook de AG is er volgens de steller van het middel van uitgegaan dat de zaak tegen verdachte en de medeverdachte gelijktijdig zouden worden behandeld. De afwijzende beslissing van het hof is nauwelijks gemotiveerd.
3.2. Ter terechtzitting van het hof van 2 maart 2017 heeft de advocaat van verdachte blijkens het proces-verbaal van het onderzoek het volgende verklaard:
“Een maand geleden heeft deze zaak pro forma op de zitting gestaan met een regie karakter. Een andere zitting van mij liep die dag dusdanig uit dat ik het niet meer redde hier tijdig aanwezig te zijn. Ik zou vandaag alsnog de onderzoekswensen mogen toelichten. Ik moet u zeggen dat ik vandaag pas hoor dat de medeverdachte hier vandaag niet op zitting staat. Ook dat hij niet is gedagvaard voor de zitting van vandaag. Gezien de verwevenheid van de zaken had ik dat wel verwacht. Tot nu toe hebben ze ook altijd samen op zitting gestaan. Ik verzoek u onder meer om die reden de zaak aan te houden. U vraagt mij dat toe te lichten. De medeverdachte heeft ook onderzoekswensen ingediend, waaronder een onderzoek naar alternatieve scenario’s en het horen van getuigen. Daar is door het hof nog niet op beslist. Nu ik mij aansluit bij die onderzoekswensen, lijkt het mij wenselijk de zaken gelijktijdig te behandelen. Mijn cliënt en ik zouden eigenlijk ook graag de medeverdachte willen horen. Het is nodig voor de waarheidsvinding dat er nog een aantal vragen gesteld worden. Het klopt dat ik daar niet om heb verzocht in mijn appelschriftuur.
Ik denk dat het noodzakelijk is nog enkele vragen te stellen over de desbetreffende nacht. Daar zijn in eerste aanleg onvoldoende vragen over gesteld. Ik wil bijvoorbeeld vragen of zij die nacht continu samen waren, of zij inderdaad – zoals cliënt zegt – uit elkaar zijn gegaan, of medeverdachte een handschoen in zijn bezit heeft gehad zoals die te zien was bij de pinner, of zij weleens van handschoenen hebben gewisseld en waar de telefoongesprekken die nacht over gingen. Ook wil ik hem vragen hoe het komt dat zijn vriendin heeft verklaard dat zij moest liegen. Hij is inderdaad bij de rechter-commissaris gehoord in eerste aanleg. Ter volledigheid van de onderzoekswensen moet hij nu echter weer gehoord worden. Ook zou ter zitting gevraagd kunnen worden zijn verklaring te voegen in deze zaak.”
3.3. Gehoord de AG heeft het hof beraadslaagd, waarna de voorzitter de beslissingen van het hof heeft medegedeeld:
“Het hof ziet geen noodzaak enig verzoek toe te wijzen en wijst om die reden de verzoeken af om:
- professor Van Koppen of een andere deskundige nader te horen over de betrouwbaarheid van de herkenning. Als het gaat om de weging van het bewijs is dat voorbehouden aan het hof en niet aan een deskundige;
- de medeverdachte en [betrokkene 1] nader te horen;
- nader onderzoek te laten verrichten naar de inbeslaggenomen handschoen en de daarop aanwezige sporen;
- de zaak gelijktijdig te behandelen met de zaak van de medeverdachte, er is geen reden deze zaak aan te houden;
Het verzoek met betrekking tot het voegen van de OVC-gesprekken betreft een voorwaardelijk verzoek waarop het hof zich eventueel bij tussenarrest zal uitlaten."
3.4. Het hof heeft het juiste criterium toegepast op het ter terechtzitting gedane verzoek tot aanhouding opdat de zaak tegen verdachte gelijktijdig met die van de medeverdachte kan worden behandeld en opdat de medeverdachte kan worden gehoord in de zaak tegen verdachte. Dat is een verzoek dat wordt beheerst door artikel 315 SvPro. Maar de afwijzing van het verzoek is slechts gemotiveerd door vermelding van het criterium. Waarom het niet noodzakelijk is om de zaken gelijktijdig te behandelen en om de medeverdachte te horen maakt het Hof niet duidelijk. Het is gissen naar de redenen die tot deze beslissing hebben geleid. [1]
Het eerste middel slaagt.
4.1. Het tweede middelklaagt over de afwijzing van het verzoek tot het aanstellen van de deskundige Van Koppen dan wel een andere deskundige die zijn oordeel zou dienen te geven over de betrouwbaarheid van de herkenning van verdachte. Dat verzoek is neergelegd in de pleitnota volgens welke de advocaat van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep het woord heeft gevoerd en waaruit in de schriftuur wordt geciteerd.
4.2. Het hof heeft ook hier weer het juiste criterium gebezigd, maar de motivering van de afwijzing van dit verzoek schiet naar mijn oordeel weer tekort. Het verzoek had immers niet de strekking om het oordeel van een deskundige over de betrouwbaarheid van herkenningen in de plaats te stellen van de eigen verantwoordelijkheid van de rechter die over de feiten oordeelt voor de keuze van het bewijsmateriaal. De pleitnota van hoger beroep stelt dat de foto's in het dossier zeer vaag zijn, dat er geen gezichtskenmerken te zien zijn op de foto's, dat de ex-vrouw van verdachte hem niet heeft herkend, [2] en dat de herkenning door de dochter van verdachte niet betrouwbaar is omdat die is beïnvloed door hetgeen haar tevoren bekend is geworden en door wat er tevoren met haar is besproken. Aan deze stellingen is het hof voorbijgegaan zonder er een woord aan te besteden.
Het tweede middel slaagt.
5.1. Het derde middelklaagt dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd omdat de rechtbank heeft geoordeeld dat verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven over de in zijn woning aangetroffen handschoen. Op die handschoen is, zoals de rechtbank heeft vastgesteld, DNA-materiaal van aangever en van verdachte aangetroffen. Het hof heeft zich daarbij aangesloten. Volgens de steller van het middel heeft de verdachte wel een aannemelijke verklaring gegeven.
5.2. Ik stel voorop dat als de rechter die over de feiten oordeelt het tenlastegelegde bewezen acht, het aan die rechter is voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing inzake die selectie en waardering, die - behoudens bijzondere gevallen - geen motivering behoeft, kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden. [3] Het hof heeft zich aangesloten bij het oordeel van de rechtbank en dat wekt geen bevreemding. De mogelijke verklaringen die de verdediging in eerste aanleg en in hoger beroep heeft aangevoerd voor het aantreffen van lichaamsmateriaal van verdachte en van aangever op een handschoen die in verdachtes woning is gevonden zijn overwegend van hypothetische aard en variëren van de mogelijkheid dat medeverdachte [betrokkene 2] en zijn vriendin een handschoen die bij de door [betrokkene 2] gepleegde overval is gebruikt bij verdachte hebben gedumpt tot en met de mogelijkheid dat verdachte aangever wel eens in de café in Tolkamer heeft ontmoet bij welke gelegenheid DNA van aangever op verdachte kan zijn overgebracht.
Het hof heeft klaarblijkelijk deze gesuggereerde mogelijkheden allemaal hoogst onwaarschijnlijk geacht en dat is, gelet op de speculatieve aard van het aangevoerde, niet onbegrijpelijk. [4]
Het middel faalt.
6. De eerste twee middelen lijken mij gegrond te zijn. Het derde middel faalt. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
1.G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers (achtste druk), Deventer: Kluwer 2014, p. 660.
2.Hetgeen overigens in het vonnis van de rechtbank op p. 5 wordt weersproken.