Conclusie
1.Feiten en procesverloop
“Vordering op [verweerder 2] ”en
“Vorderingen op [verzoeker] ”, betwist. Hij heeft verzocht voor recht te verklaren dat er geen overeenkomsten van geldlening tussen hem en de vader zijn gesloten en voorts om het rentepercentage op de geldvorderingen op [verweerder 2] vast te stellen.
Waarde [a-straat 1] te Suriname” in de beschrijving door vader van de samenstelling en omvang van de ontbonden huwelijksgemeenschap bij deze vaststelling geen rekening moet worden gehouden, aangezien het desbetreffende huis door vader is verkregen onder uitsluitingsclausule en derhalve niet tot de huwelijksgemeenschap en ook niet tot de nalatenschap van erflaatster is gaan behoren (rov. 2.3). Voor zover er bij de schenking door de vader aan [verweerder 2] sprake zou zijn geweest van een wilsgebrek en [verzoeker] een rechtsvordering tot vernietiging zou kunnen instellen, is deze naar het oordeel van het Hof ingevolge art. 3:52 BWC Pro verjaard, en heeft [verweerder 2] hierop naar het oordeel van het Hof een beroep gedaan (rov. 2.5). Naar het oordeel van het Hof is er geen sprake (geweest) van een natuurlijke verbintenis van de vader jegens [verzoeker] , die door de vader door betaling van gelden zou zijn nagekomen, maar is (derhalve) sprake van een schenking (rov. 2.7-2.8). Vorenbedoelde schenkingen moeten beide worden ingebracht in de nalatenschap op grond van art. 92 van Pro de Landsverordening overgangsrecht nieuw Burgerlijk Wetboek (rov. 2.9). De waarde van de helft van de ontbonden huwelijksgemeenschap, uitmakende de nalatenschap van erflaatster, komt hiermee op Naf 1.022.410,28, waarvan een derde deel de waarde van het erfdeel van elk van beide zonen vormt (Naf 340.803,43). De waarde van hun erfdelen is derhalve lager dan hetgeen [verzoeker] respectievelijk [verweerder 2] moeten inbrengen, zodat de omvang van hun geldvordering als bedoeld in art. 4:13 lid 3 BWC Pro nihil is (rov. 2.10). Het Hof heeft de bestreden beschikking vernietigd en heeft, opnieuw rechtdoende, ingevolge 4:15 lid 1 BWC de omvang van de in art. 4:13 lid 3 BWC Pro bedoelde geldvordering van zowel [verzoeker] als [verweerder 2] op nihil vastgesteld.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
kennelijke misslagen” in het geding. Het Hof heeft deze klacht dan ook kennelijk en begrijpelijk niet als afzonderlijke grief behandeld;
“wettig & overtuigend bewijs, namelijk vader [de vader] eigenlijk een “financiële uitgavensituatie” wilde realiseren, omdat hij dat bedacht had en gewoon leuk vond”. De klacht wordt niet verder toegelicht. Het Hof heeft deze klacht kennelijk en begrijpelijk niet als een voldoende duidelijke, gepreciseerde of gemotiveerde grief opgevat;
“vorderingen”in plaats van
“giften”in de boedelbeschrijving heeft opgevoerd. [verzoeker] heeft aangevoerd dat de post die betrekking heeft op [verweerder 2] een lening betreft en/of een schenking die onder invloed van een wilsgebrek is gedaan (grief 1e, 1f en 1g) en dat de post die betrekking heeft op hemzelf de voldoening aan een natuurlijke verbintenis betreft (grief 1d en 1e). Het Hof heeft deze grieven in het licht geplaatst van de stellingen van de vader en uitgelegd en behandeld (zoals beschreven) in rov. 2.4-2.9. Het onderdeel stelt niet dat de aan het Hof voorbehouden uitleg van deze grieven onbegrijpelijk was of dat het Hof daarover inhoudelijk onjuist of onbegrijpelijk heeft geoordeeld;
“(d)e verdere beoordeling van het Gerecht (…) ‘more of the same’ en totaal onbegrijpelijk (is), aangezien deze beoordeling voortbouwt op allemaal misslagen als basis”. Het Hof heeft deze klacht dan ook kennelijk en begrijpelijk niet als afzonderlijke grief behandeld.
ambtshalve” op nihil stellen van de geldvorderingen of het buiten de rechtsstrijd van partijen treden is dan ook geen sprake geweest, ondanks het feit dat de grieven, het in appel door [verzoeker] verzochte en het in het verweerschrift van de vader gestelde niet expliciet vermelden dat het verzoek van de vader in feite op de vaststelling van genoemde geldvorderingen ziet. Bij die stand van zaken kan evenmin worden gezegd dat het Hof niet heeft beslist op het verzoek in de memorie van grieven onder 2, strekkende tot het opnieuw vaststellen van de
“wettelijke nalatenschap (lijst)”(dit nog los van het feit dat het Hof - teneinde de hoogte van genoemde geldvorderingen vast te stellen - in rov. 2.10 ook en eerst (de waarde van) de nalatenschap heeft vastgesteld).
vorderingen”). Daarbij heeft het GEA voorts overwogen dat de (wettelijke) rente over de geschonken en in te brengen geldbedragen (eerst) op de inbreng is verschuldigd vanaf de dag dat de nalatenschap is opengevallen.
Vorderingen op [verzoeker]” - het volgende heeft verklaard:
als voorschotNAf 80.000,- betaald. (…)” (cursivering toegevoegd, LK).
met inbrengverplichting. Zou immers geen inbrengverplichting bestaan, dan is er geen sprake van dat de schenking
als voorschotop het wettelijk erfdeel geldt, of dat met de schenking al gedeeltelijk uitvoering is gegeven aan de verbintenis tot het uitbetalen van het wettelijk erfdeel. De schenking zou, indien geen inbrengverplichting zou bestaan, geheel los staan van (het erfdeel in) de nalatenschap en daarvan geen deel uitmaken.
in te brengen schenkingen” waarover “
wettelijke rente verschuldigd is vanaf de dag dat de nalatenschap is opengevallen”.
verplichtis beslissingen van het GEA ambtshalve te beoordelen. In het geval dat specifieke grieven zijn aangevoerd, kan dit onder omstandigheden bij geïntimeerde het gerechtvaardigde vertrouwen wekken dat appellant de beoordeling van het geschil op de in de grieven aangevoerde punten wil zien toegespitst. In dat geval dient ook het Hof zich daartoe te beperken [7] .