Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
achterstalligehuurtermijnen. [verweerster] heeft deze vordering primair gebaseerd op een tussen partijen gesloten overeenkomst. Daartoe heeft [verweerster] gesteld dat in het kader van het faillissement van MGP met BBZ is afgesproken dat [verweerster] de huurovereenkomst met BBZ voortzet en dat BBZ de huur vanaf 1 november 2012 aan [verweerster] verschuldigd is. BBZ heeft hiermee ingestemd, hetgeen ook blijkt uit de nadien tussen partijen gevoerde e-mailcorrespondentie. Dat BBZ met de gemaakte afspraken heeft ingestemd, blijkt voorts uit het feit dat BBZ de huur over de maanden november 2012 tot en met april 2013 volledig aan [verweerster] heeft betaald. Subsidiair beroept [verweerster] zich op ongerechtvaardigde verrijking. Op grond daarvan is BBZ gehouden aan [verweerster] een vergoeding te betalen voor het gebruik van het gehuurde. [verweerster] meent dat in het kader van deze kort geding-procedure kan worden aangesloten bij de huurprijs zoals opgenomen in de huurovereenkomst tussen BBZ en MGP.
toekomstigehuurtermijnen. Aan deze vordering legt [verweerster] de stelling ten grondslag dat BBZ op grond van de gemaakte afspraken en op grond van de tussen MGP en BBZ gesloten huurovereenkomst in samenhang met art. 5:94 lid 2 BW Pro gehouden is vanaf 13 april 2015 de huurtermijnen aan [verweerster] te voldoen.
supplementary agreementbij de huurovereenkomst is overeengekomen dat bij geschillen aangaande de huur de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda bevoegd is, zodat de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant zich onbevoegd zal moeten verklaren indien wordt vastgesteld dat [verweerster] verhuurder is geworden. [2]
grief 4 in principaal appel). Naar het oordeel van het hof gaat dit verweer niet op. Vast staat immers dat BBZ de huur verschuldigd is. [verweerster] vordert (voor zover nodig namens de curator) nakoming daarvan, zij het met betaling aan haar. Van terugvordering kan dan geen sprake zijn. Weliswaar zou de curator alsnog betaling van de huur vanaf 1 mei 2013 kunnen verlangen, maar dat risico is niet reëel gelet op verklaring van de curator dat bevrijdend aan [verweerster] kan worden betaald, en uit het feit dat de curator al jaren bij BBZ niet aandringt op betaling aan hem (hetgeen een bevestiging vormt voor het oordeel dat de curator instemt met betaling van de huur aan [verweerster]).
grief 4 in incidenteel appelkeert [verweerster] zich tegen hetgeen werd overwogen en beslist in rov. 5.6 van het vonnis waarvan beroep, in het bijzonder tegen de vaststelling dat de huur is geëindigd op 13 april 2015. [verweerster] meent dat de huur nadien voor onbepaalde tijd is voortgezet. BBZ beroept zich wel op het einde van de huurovereenkomst per 13 april 2015 (randnummer 11 mva in inc. appel), maar zij beroept zich op ontruimingsbescherming, naar het hof begrijpt jegens de curator, niet jegens [verweerster]. BBZ betwist immers in een rechts- of huurverhouding tot [verweerster] te staan.
Grief 3 in principaal appel (naar het hof begrijpt: subsidiair) en grief 3 in incidenteel appelkeren zich tegen deze matiging. BZZ [8] betoogt dat de vergoeding verder gematigd zou moeten worden dan in eerste aanleg gedaan, [verweerster] betoogt dat bij de vaststelling van de gebruiksvergoeding ten onrechte een matiging op de laatstelijk geldende huurprijs is toegepast.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
verder gaand daneen bevoegdheid tot inning tussen BBZ en [verweerster]. Het hof heeft dus niet in het midden gelaten op basis van welke rechtsverhouding BBZ verplicht is tot betaling aan [verweerster], maar heeft geoordeeld dat nu vast staat dat BBZ hiertoe op grond van de hiervoor besproken afspraken verplicht is, de onderliggende rechtsverhouding niet nader hoeft te worden gepreciseerd. Subonderdeel 1.2 mist dus in zoverre feitelijke grondslag. Overigens is het oordeel gezien de voor beoordeling van een geldvordering in kort geding geldende uitgangspunten niet onbegrijpelijk: het hof moest immers beoordelen of de vordering voldoende aannemelijk is gemaakt. Voor een onderzoek naar de vraag of een verdergaande rechtsverhouding bestond, leent het kort geding zich niet, zoals het hof terecht heeft geoordeeld. Subonderdeel 1.2 faalt wat mij betreft.
de factohuurgenot verschaft, kan de procedure ex art. 7:230a BW BBZ dus wel degelijk baten, en dan in het bijzonder het verzoek tot vaststelling van een redelijke huur, aldus het onderdeel.
onderdeel 3van het middel dat het hof ten onrechte in rov. 3.8. heeft geoordeeld dat BBZ de hoogte van de vorderingen van [verweerster] “voor het overige” niet heeft betwist. Het hof zou daarmee zijn voorbijgegaan aan de onweersproken stelling [33] van BBZ dat de huurprijs is belast met BTW en dat over een vergoeding geen BTW dient te worden betaald, zodat de vordering van [verweerster] met het bedrag van de BTW diende te worden verlaagd.
Credit Suisse/Subway. [39] BBZ klaagt dat over een dergelijke vergoeding geen BTW dient te worden betaald en dat deze stelling ten onrechte door het hof niet in zijn beoordeling is betrokken.