Conclusie
(niet verschenen).
1.Feiten en procesverloop
Tevens heeft [verzoeker] meer subsidiaire vorderingen ingesteld, alsmede verzocht Vlisco te veroordelen in de kosten van de procedure bij de rechtbank en de procedure bij het hof, het salaris van de gemachtigde daaronder begrepen.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
onder 2.1; nader uitgewerkt
onder 2.1.1 t/m 2.1.6) is gericht tegen rov. 3.7, rov. 3.8 t/m 3.14 en, daarop voortbouwend, rov. 3.15 t/m 3.28 en het dictum. Het onderdeel klaagt over ’s hofs oordeel dat het onder de Wwz mogelijk is om in de onderhavige situatie, waarin de kantonrechter nog geen oordeel heeft gegeven over het verzoek tot vernietiging van de opzegging in de zin van art. 7:677 lid 1 BW Pro (het ontslag op staande voet), ontbinding te verzoeken van de arbeidsovereenkomst, voor het geval de opzegging door de kantonrechter wordt vernietigd. In essentie heeft het onderdeel tot strekking dat een voorwaardelijke ontbinding onder de Wwz niet mogelijk is en dat het hof om die reden tot het oordeel had moeten komen dat Vlisco niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden in haar verzoek.
Mediant/X) uitspraak gedaan. Met die uitspraak is duidelijk geworden dat de werkgever naar het thans geldende recht nog steeds de mogelijkheid heeft een verzoek te doen tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst voor het geval het ontslag op staande voet wordt vernietigd (rov. 3.4.6). Daarbij is overwogen dat het wenselijk is dat de rechter het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet en tot (voorwaardelijke) ontbinding zoveel mogelijk gelijktijdig behandelt en beslist, ook wanneer, zoals in de onderhavige zaak het geval is, de kantonrechter in een van beide procedures bewijslevering noodzakelijk acht (zie rov. 3.6.1-3.6.2, alsmede de situatie bedoeld onder (c), uitgewerkt in rov. 3.9.1-3.9.2).
Eurofactor/X)). Afgezien van dergelijke gevallen, die zich in de onderhavige zaak niet voordoen, is de partij die de ontbinding verzoekt, dus in beginsel steeds ontvankelijk in haar verzoek (rov. 3.5).
onder 2.2 en 2.2.1) is subsidiair voorgesteld, namelijk voor het geval onderdeel 1
niettot de uitkomst zou leiden dat een voorwaardelijke ontbinding onder de Wwz niet mogelijk is en Vlisco niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard (noot 20, p. 30 verzoekschrift tot cassatie). Aan die voorwaarde wordt voldaan.
het gevalde kantonrechterde opzegging van de arbeidsovereenkomst door Vlisco vernietigt’, onbegrijpelijk is en kennelijk op een vergissing berust, gelet op rov. 3.26 waarin het hof heeft overwogen dat Vlisco zal worden veroordeeld tot herstel van de arbeidsovereenkomst, ‘
uiteraard slechts voor het geval dat de opzegging wordt vernietigd’.
de kantonrechteren dat met de bestreden beschikking slechts voor dat geval een beslissing is gegeven, zodat ook het hof slechts voor die situatie een oordeel geeft. Dat het hof de veroordeling van Vlisco tot herstel van de arbeidsovereenkomst ex art. 7:683 lid 3 BW Pro heeft willen beperken tot het geval waarin de kantonrechter de opzegging vernietigt, blijkt voorts uit de gekozen bewoordingen in zowel rov. 3.27 als het dictum. De meer algemeen geformuleerde overweging in rov. 3.26, waarin wel wordt gesproken van herstel voor het geval dat de opzegging wordt vernietigd, maar de woorden ‘door de kantonrechter’ ontbreken, kan ook niet anders worden begrepen dan dat ook hier is bedoeld dat de opzegging wordt vernietigd door
de kantonrechter, aangezien onder de WWZ aan de appelrechter en de verwijzingsrechter niet de bevoegdheid tot vernietiging van de opzegging toekomt. Uit art. 7:683 lid 3 BW Pro volgt immers dat de rechter in hoger beroep of na verwijzing in cassatie de arbeidsovereenkomst slechts kan herstellen of aan de werknemer een billijke vergoeding kan toekennen. Van een kennelijke vergissing is dan ook geen sprake. [4]
de kantonrechterde opzegging (het ontslag op staande voet) vernietigt, heeft miskend dat er in de procedure over de vernietiging van de opzegging hoger beroep en cassatie mogelijk is en een herstel ex art. 7:683 lid 3 BW Pro ook zijn werking dient te hebben, indien de vernietiging van de opzegging pas na aanwending van een rechtsmiddel wordt uitgesproken.
de kantonrechter desverlangd de voorwaardelijk verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst (ook) zou uitspreken voor het geval de appel- of verwijzingsrechter, anders dan de kantonrechter, het op staande voet gegeven ontslagzou vernietigen” (cursivering en onderstreping A-G), op een verschrijving berust. Bedoeld zal zijn:
‘…voor het geval de appel- of verwijzingsrechter, anders dan de kantonrechter, zou oordelen dat het ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven en de werkgever veroordeelt de arbeidsovereenkomst te herstellen.’
de kantonrechterhet ontslag op staande voet vernietigt, ertoe leidt dat herstel van de arbeidsovereenkomst in een situatie als de onderhavige
de factois uitgesloten, is niet juist.
oordelen dat de rechtbank de (voorwaardelijke) ontbinding ten onrechte heeft toegewezen’, alsmede herstel van de arbeidsovereenkomst (beroepschrift onder punt 6 en punt 51). Deze vordering moet worden gelezen in samenhang met het dictum van de beschikking van de kantonrechter van 15 oktober 2015, dat inhoudt:
'ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen, voor zover deze nog bestaat, met ingang van 1 december 2015'. Gelet op het feit dat het tegenverzoek van Vlisco luidde: '
indien en voor zover het ontslag op staande voet door UEA wordt vernietigd (...)', [7] ga ik er vanuit
(a) dat de kantonrechter bedoeld heeft de arbeidsovereenkomst te ontbinden voor zover
de kantonrechterde opzegging van de arbeidsovereenkomst (het ontslag op staande voet) zou vernietigen en
(b) dat het verzoek van [verzoeker] in hoger beroep ertoe strekte dat de onder
deze voorwaardetoegewezen ontbinding door het hof wordt vernietigd. Ook uit de eigen stellingen van [verzoeker] volgt dat hij dit zo heeft bedoeld. [8]
veroordeelt Vlisco de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] te herstellen met ingang van 1 december 2015 onder dezelfde arbeidsvoorwaarden als vóór die datum, voor het geval de kantonrechter de opzegging van de arbeidsovereenkomst zal vernietigen’) eigenlijk niet geheel correct is. Als wordt voldaan aan de door het hof geformuleerde voorwaarde – dat de kantonrechter de opzegging van de arbeidsovereenkomst (het ontslag op staande voet) vernietigt – herleeft immers de arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht tot het moment dat het ontslag op staande voet was gegeven. Herstel van de arbeidsovereenkomst is dan niet meer aan de orde, want er is (achteraf) steeds een arbeidsovereenkomst geweest.
Naar mijn mening had het hof als volgt moeten beslissen:
en opnieuw rechtdoende:
de kantonrechterniet de ontbinding mag uitspreken onder een voorwaarde die betrekking heeft op de uitkomst van de opzeggingsprocedure in hoger beroep of na verwijzing. Dat mag niet omdat de kantonrechter dan de appelrechter of de verwijzingsrechter in de opzeggingsprocedure – in mijn woorden – voor de voeten zou lopen en die rechter zou beperken in de te maken keuze voor herstel van de arbeidsovereenkomst dan wel toekenning van een billijke vergoeding. Gelet op deze ratio is aannemelijk dat het voorgaande ook geldt wanneer de aan een ontbindingsverzoek verbonden voorwaarde (enigszins) anders is geformuleerd dan onder (a) of (b) in het antwoord op prejudiciële vraag C, maar wel betrekking heeft op de uitkomst van de opzeggingsprocedure in hoger beroep of na verwijzing. Zo zal ook een verzoek aan de kantonrechter tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst onder de voorwaarde
'dat het hof zal oordelen dat het verzoek om vernietiging van de opzegging ten onrechte is afgewezen', moeten worden afgewezen voor zover het betrekking heef op het toekomstig oordeel van het hof. Een voorwaardelijk verzoek tot ontbinding bij de kantonrechter kan alleen worden gedaan onder een voorwaarde die betrekking heeft op de uitkomst van de opzeggingsprocedure bij
de kantonrechter.
in hoger beroepeen voorwaardelijk ontbindingsverzoek kan worden gedaan onder een voorwaarde die betrekking heeft op de uitkomst van de opzeggingsprocedure in hoger beroep of na verwijzing. De overweging van de Hoge Raad in de hiervoor geciteerde rov. 3.13.1
'dat slechts als voorwaarde [kan] worden gesteld dat het op staande voet gegeven ontslag door de rechter van dezelfde aanleg wordt vernietigd', duidt er m.i. op dat die voorwaarde wél kan worden gesteld. Hoewel ook hier weer moet worden aangetekend dat de rechter in hoger beroep het ontslag op staande voet niet kán vernietigen, zodat in hoger beroep niet de voorwaardelijke ontbinding kan worden verzocht voor het geval de appelrechter de opzegging vernietigt. Ook de overweging in rov. 3.13.2, dat het nog wel degelijk zinvol is om een voorwaardelijk verzoek tot ontbinding te doen, omdat langs die weg de gevolgen van het eventuele oordeel dat het op staande voet gegeven ontslag niet gerechtvaardigd was
in de desbetreffende instantie kunnen worden beperkt, is een sterke aanwijzing dat ook in hoger beroep voorwaardelijke ontbinding kan worden verzocht. De reden daarvoor is dat een eventuele loonvordering als gevolg van een vernietiging door de appelrechter van het ontslag op staande voet, in tijd kan worden beperkt (rov. 3.13.2).
‘... op enig moment zou blijken dat tussen partijen nog een arbeidsovereenkomst bestaat..’, toelaatbaar werd geacht: [9]
nogbestaat, zo stelt hij. Het hof volgt [appellant] hierin niet. Het verzoek van Solutions strekt immers kennelijk ertoe te bewerkstelligen dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig tot een einde komt voor het geval deze na aanwending van een rechtsmiddel mocht worden hersteld. Met het oog op een daaruit resulterende in tijd in beginsel niet begrensde loonvordering heeft Solutions belang bij haar voorwaardelijke verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Dat tegen een beslissing op een dergelijk verzoek in tegenstelling tot onder het tot 1 juli 2015 geldende recht een hogere voorziening openstaat maakt dit niet anders. Daarbij verdient aantekening dat de maatstaf voor toewijsbaarheid van een (voorwaardelijk) ontbindingsverzoek een andere is dan die welke geldt voor de vernietiging van een ontslag op staande voet. Solutions is dus ontvankelijk in haar verzoek. (…)"
mee zal wegenof er ruimte was voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. [11] Tegen die achtergrond schrijft Keus: [12]
dezelfdeovereenkomst. Niet is in te zien waarom geen ontbinding zou kunnen worden verzocht van een aldus herstelde arbeidsovereenkomst.
Het komt mij voor dat een dergelijke, praktische benadering aansluit bij de oplossingsrichting die de Hoge Raad in de Mediant-uitspraak heeft gekozen. Ik merk hierbij op dat in de tweede volzin van rov. 3.12.2 van het arrest de Hoge Raad overweegt dat voor het geval (onder meer) de appel- of verwijzingsrechter oordeelt dat het verzoek om vernietiging van het ontslag op staande voet ten onrechte is afgewezen het volgende geldt: ‘
In een zodanig geval kan de appelrechter of de verwijzingsrechter (de werkgever veroordelen om) de arbeidsovereenkomst herstellen …’. Met het tussen haakjes plaatsen van ‘
de werkgever veroordelen om’ wordt door de Hoge Raad mogelijk gesuggereerd dat de appel- of verwijzingsrechter in de opzeggingsprocedure zélf het herstel van de arbeidsovereenkomst kan uitspreken. Er zou dan geen handeling van de werkgever nodig zijn om herstel tot stand te brengen. Hoewel de wettekst wel lijkt uit te gaan van herstel van de arbeidsovereenkomst door de werkgever, zou een herstel
door de rechter, een voorwaardelijk ontbindingsverzoek in hoger beroep beter inpasbaar maken in het wettelijk systeem.
onder 2.2.2) klaagt dat het hof heeft verzuimd te beslissen omtrent de proceskosten in eerste aanleg, hetzij op dit punt een rechtens onjuist, althans een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven. Uit de aanbiedingsbrief van mr. H.J.W. Alt van 28 juli 2016 blijkt van het voornemen om op dit punt bij het hof verzoeken ex art. 31 en Pro 32 Rv in te dienen. [15] Een dergelijk verzoek staat echter niet in de weg aan de ontvankelijkheid van het cassatieberoep nu de beschikking van het hof ook op andere gronden in cassatie wordt bestreden. [16]
eerste aanlegen de proceskosten in hoger beroep. [18] Hoewel het hof deze verzoeken op juiste wijze heeft weergegeven in rov. 3.4.1 van zijn beschikking, oordeelt het in rov. 3.28 dat Vlisco als de in het ongelijk gestelde partij zal worden veroordeeld in de kosten van (slechts) het
hoger beroep. Dit blijkt ook uit het dictum:
eerste aanleg. Dit betekent dat het derde onderdeel terecht is voorgesteld. De Hoge Raad kan de zaak m.i. op de voet van art. 420 Rv Pro zelf afdoen door Vlisco alsnog te veroordelen in de proceskosten van de eerste aanleg.