Conclusie
1.Feiten en procesverloop
primair en subsidiair[verweerster] te bevelen binnen vier weken haar medewerking te verlenen aan het opmaken van een koopakte voor de koop van de woning aan de [a-straat] tegen betaling van een koopsom van € 12.500,— kosten koper en tegen finale kwijting over en weer voor alle overige vorderingen die betrekking op de woning, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 500,— voor iedere dag dat de koopakte niet tot stand is gekomen;
meer subsidiair[verweerster] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 137.500,—, zijnde het verschil tussen de WOZ-waarde van de woning (€ 150.000,—) en de overeengekomen koopsom (€ 12.500,—), te vermeerderen met wettelijke rente en
meest subsidiair:[verweerster] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 121.362,45 wegens ongerechtvaardigde verrijking, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 15 februari 2014.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeelis gericht tegen rechtsoverweging 2.13 van het arrest van het hof. Aldaar heeft het hof als volgt overwogen:
in ieder geval voor zover het de maandelijkse bijdrage van fl. 350,— betreft.Alleen wat betreft deze maandelijkse bijdrage is dus sprake van een overweging ten overvloede. Intussen richt [eiseres] ook tegen rechtsoverweging 2.12 een klacht. Zie de bespreking hierna van het tweede onderdeel.
tweede onderdeelricht zich tegen rechtsoverweging 2.12, die als volgt luidt:
derde onderdeelricht zich tegen rechtsoverweging 2.10, die als volgt luidt:
.