"Volgens die richtlijn zal bij een mondelinge bedreiging, zonder gebruik van een vuurwapen, een geldboete van 250 euro worden gevorderd, indien de dader een
first offenderis. Bij eenmalige recidive binnen vijf jaren, kan de vordering omhoog naar een geldboete van 375 euro. Is sprake van eenmalige recidive binnen twee jaren, dan kan in plaats van een geldboete van 375 euro ook een taakstraf van 28 uren worden gevorderd. Bij herhaalde recidive zal, aldus de richtlijn, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 20 dagen worden gevorderd.
In deze zaak is volgens de tenlastelegging sprake van een mondelinge bedreiging. Er is geen wapen gebruikt om de bedreiging kracht bij te zetten. Omdat [verdachte] eenmaal eerder is veroordeeld voor een bedreiging - die langer dan vijf jaar geleden heeft plaatsgevonden - zou het dus conform de Richtlijn voor strafvordering bedreiging in de lijn der verwachting liggen dat een geldboete van 375 euro wordt geëist.
Als het openbaar ministerie van die richtlijn afwijkt en het een aanmerkelijk zwaardere straf vordert, moet het met goede argumenten komen. Die kunnen worden gevonden in de bijzonderheden die in de richtlijn worden genoemd als (mogelijke) omstandigheden die tot een hogere eis aanleiding kunnen geven. De in de richtlijn genoemde bijzonderheden doen zich in deze casus echter geen van allen voor.
Een reden voor een hogere eis dan die in de richtlijn wordt voorgeschreven, kan het openbaar ministerie vanzelfsprekend evenmin vinden in de naam of de reputatie van de verdachte ( [verdachte] ) of in de naam of de reputatie van het slachtoffer ( [slachtoffer] ). De naam of de reputatie van de verdachte noch de naam van het slachtoffer is in de richtlijn aangemerkt als een bijzonderheid die tot een verhoging van de eis aanleiding kan geven. Het zou ook raar zijn als in deze zaak een hogere straf wordt geëist, omdat het slachtoffer [slachtoffer] heet en de verdachte [verdachte] .
In eerste aanleg kon het openbaar ministerie een afwijking van de Richtlijn voor strafvordering bedreiging nog maskeren, omdat het zijn vordering toen baseerde op het standpunt dat twee delicten bewezen konden worden verklaard: zowel de bedreiging van [slachtoffer] als de veronderstelde poging tot afpersing van [betrokkene 1]. Voor die beide feiten zou, aldus de officieren van justitie, een gevangenisstraf van één jaar en zes maanden zijn aangewezen.
In hoger beroep zal het openbaar ministerie zich daar niet meer achter kunnen verschuilen. [verdachte] is door de rechtbank immers vrijgesproken van de veronderstelde poging tot afpersing van [betrokkene 1]. Hij is alleen veroordeeld voor de bedreiging van [slachtoffer] . Daarvoor heeft hij een gevangenisstraf gekregen voor de duur van 46 dagen.
Tegen die veroordeling heeft [verdachte] geen hoger beroep ingesteld. Dat had vooral een praktische achtergrond: de hem in eerste aanleg opgelegde straf had [verdachte] ten tijde van het vonnis reeds uitgezeten.
Het openbaar ministerie heeft wel beroep ingesteld, maar niet tegen de vrijspraak voor de veronderstelde poging tot afpersing. Het gaat het openbaar ministerie om de hoogte van de in eerste aanleg opgelegde straf en om de beslissing op de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.
Het standpunt dat het openbaar ministerie daarover inneemt, kan alleen maar verbazing oproepen. In eerste aanleg is voor een mondelinge bedreiging namelijk al een heel veel zwaardere straf opgelegd dan volgens zijn eigen richtlijn is aangewezen. Dat het openbaar ministerie toch nog niet tevreden is en dat het in hoger beroep een nog zwaardere straf vordert dan reeds in eerste aanleg is opgelegd, is onbegrijpelijk. De vertegenwoordigers van het openbaar ministerie hebben ook in hoger beroep geen goede argumenten benoemd die tot een afwijking van de richtlijn aanleiding zouden kunnen geven - laat staan tot een nog zwaardere straf dan die door de rechtbank is opgelegd.
Zo'n goede reden kan overigens ook niet worden gevonden in het strafrechtelijk verleden van [verdachte] . In de Richtlijn voor strafvordering bedreiging is dat strafrechtelijk verleden immers al meegenomen: het kan leiden tot een iets hogere geldboete. Bovendien heeft de rechtbank de - in vergelijking met de richtlijn - zware straf al geheel en al in het teken gezet van de vaststelling dat [verdachte] een recidivist is.
(…)
Over die ernst (van het delict, toevoeging SF) heeft het openbaar ministerie zich in de Richtlijn voor strafvordering bedreiging uitgelaten: in een zaak als deze kan met een geldboete worden volstaan. Dat zou ook voor uw gerechtshof moeten gelden."