De zaak betreft een hoger beroep tegen een arrest waarin verdachte werd veroordeeld voor diefstal met geweld. De bewezenverklaring hield in dat verdachte op 29 september 2014 te Alphen aan den Rijn een aansteker van betrokkene had weggenomen, waarbij dit was voorafgegaan en vergezeld ging van geweld. Dit geweld zou bestaan uit het tegen een muur zetten van betrokkene, het fouilleren en doorzoeken van diens zakken.
De Hoge Raad oordeelt dat uit de gebruikte bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte daadwerkelijk geweld heeft gebruikt of betrokkene heeft bedreigd met geweld. De wijze waarop betrokkene werd gedwongen zijn armen en benen te spreiden is onduidelijk en er is geen bewijs dat het leegmaken van de zakken met geweld gepaard ging. Ook de verklaringen van getuigen en betrokkene zelf ondersteunen het geweldsaspect onvoldoende.
Daarom is de klacht over de bewezenverklaring gegrond en vernietigt de Hoge Raad het arrest voor zover het geweldsaspect betreft. De kwalificatie wordt aangepast van diefstal met geweld naar gewone diefstal. De overige bewezen feiten blijven ongewijzigd en de straf en maatregel worden in stand gelaten, omdat deze gebaseerd zijn op de overige feiten. De verdachte wordt vrijgesproken van het geweldsdeel van de tenlastelegging.