ECLI:NL:PHR:2017:254
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Gebruik van verklaringen van medeverdachten als bewijs en recht op verdediging bij gelijktijdige behandeling
In deze zaak werd verdachte veroordeeld voor medeplegen van het voorbereiden en bevorderen van het vervaardigen van amfetamine en MDMA, met een gevangenisstraf van 30 maanden en onttrekking van in beslag genomen voorwerpen. Verdachte stelde cassatie in tegen deze veroordeling met twee middelen, waarvan het tweede gegrond werd verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Een centraal geschilpunt betrof het gebruik door het hof van verklaringen die medeverdachten in hun eigen strafzaken hadden afgelegd, zonder dat deze verklaringen ter terechtzitting waren voorgelezen of waarvan de korte inhoud was meegedeeld, hetgeen volgens art. 301 lid 4 Sv Pro niet is toegestaan. De verdediging maakte bezwaar tegen het voegen van alle processen-verbaal van de medeverdachten in het dossier van verdachte.
De Hoge Raad overwoog dat ondanks het niet naleven van art. 301 lid 4 Sv Pro, verdachte geen rechtens te respecteren belang had bij zijn klacht omdat hij en zijn raadsman op de hoogte waren van de verklaringen, de zaken gelijktijdig maar niet gevoegd waren behandeld, en de verdediging de mogelijkheid had om medeverdachten als getuigen te horen, hetgeen zij niet heeft benut. Ook werd bevestigd dat de verklaringen van medeverdachte [betrokkene 1] in de eigen zaak door andere bewijsstukken werden bevestigd.
Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn in de cassatiefase met meer dan een jaar was overschreden, wat aanleiding gaf tot strafvermindering. De conclusie van de Procureur-Generaal was dat de strafvermindering moest worden toegewezen en het beroep voor het overige moest worden verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de opgelegde straf wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar verwerpt het bezwaar tegen het gebruik van verklaringen van medeverdachten.