ECLI:NL:PHR:2017:258

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 februari 2017
Publicatiedatum
11 april 2017
Zaaknummer
15/04162
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359 SvArt. 359 lid 6 SvArt. 359 lid 8 SvArt. 80a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens onvoldoende motivering vrijheidsbenemende straf bij diefstal

De verdachte werd door het hof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier weken voor winkeldiefstal. Tegen dit arrest werd cassatie ingesteld met het middel dat het hof niet voldeed aan het motiveringsvereiste van artikel 359 lid 6 Sv Pro, omdat het niet expliciet aangaf waarom een vrijheidsbenemende straf werd opgelegd.

Het hof had in zijn motivering wel de ernst van het feit, de schade voor de gedupeerden en de recidive van de verdachte genoemd, maar verwees slechts naar "de hierna te melden straf" zonder ondubbelzinnig te maken dat het zich bewust was van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf.

De Hoge Raad oordeelde dat deze motivering onvoldoende is en dat dit leidt tot nietigheid van het arrest op grond van artikel 359 lid 8 Sv Pro. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en verwees de zaak terug naar het hof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling van de straf.

De conclusie benadrukt het belang van een expliciete en duidelijke strafmotivering bij vrijheidsbenemende straffen en verwijst naar recente jurisprudentie waarin dit motiveringsvereiste strikt wordt toegepast.

Uitkomst: Arrest van hof Amsterdam vernietigd wegens onvoldoende motivering van de vrijheidsbenemende straf en zaak terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Conclusie

Nr. 15/04162
Zitting: 28 februari 2017
Mr. A.E. Harteveld
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is door de enkelvoudige kamer van het gerechtshof Amsterdam op 16 juli 2015 voor “diefstal” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken met aftrek van voorarrest.
Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. P.H.L.M. Souren, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.
Het
middel
3.1. Het middel klaagt dat het hof in strijd met art. 359 lid 6 Sv Pro heeft verzuimd in het arrest in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf.
3.2. Het hof heeft in zijn aantekening van het mondeling arrest ter motivering van de opgelegde (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf van vier weken onder de kop “Oplegging van straf” het volgende overwogen:
“De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier weken met aftrek van voorarrest.
Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot de straf die in eerste aanleg is opgelegd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en gelet de persoon en de draagkracht van de verdachte.
Het hof heeft bij de strafoplegging in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Winkeldiefstal is een ergerlijk feit dat voor de gedupeerden schade en hinder veroorzaakt. In het nadeel van de verdachte slaat het hof acht op een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 2 juli 2015 waaruit blijkt dat hij eerder voor diefstal onherroepelijk is veroordeeld.
Al het vorenstaande overwegende, acht het hof oplegging van de hierna te melden straf passend en geboden.”
3.3. Blijkens recente rechtspraak van de Hoge Raad wordt het motiveringsvereiste van art. 359 lid 6 Sv Pro aldus ingevuld dat uit de strafmotivering expliciet moet blijken dat de rechter onder ogen heeft gezien dat hij een straf of maatregel oplegt die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt door in de strafmotivering tot uitdrukking te brengen dat zo'n sanctie wordt opgelegd en die sanctieoplegging te verbinden met in de strafmotivering opgegeven redenen. [1]
3.4. Het hof heeft eerst de in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf en de in hoger beroep gevorderde straf weergegeven. Vervolgens heeft het hof na de door hem gegeven standaardmotivering, een nadere toelichting gegeven ten aanzien van de ernst van het gepleegde feit en daarbij tevens gelet op de schade en overlast die het handelen van de verdachte heeft voor gedupeerden. Ten nadele van de verdachte heeft het hof nog zijn justitiële documentatie meegewogen (recidive). Tenslotte heeft het hof, ‘al het vorenstaande overwegende, oplegging van de hierna te melden straf passend en geboden’ geacht. Daarmee wordt de lat die de Hoge Raad heeft gelegd in zijn hierboven genoemde recente rechtspraak niet gehaald. Door in zijn strafmotivering slechts te verwijzen naar ‘de hierna te melden straf” heeft het hof immers niet ondubbelzinnig doen blijken dat hij onder ogen heeft gezien dat een straf wordt opgelegd die vrijheidsbeneming met zich brengt. De overwegingen van het hof bevatten aldus, in strijd met het zesde lid van art. 359 Sv Pro, geen opgave van de redenen die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. Daarmee schiet de strafmotivering tekort. Het middel slaagt. [2]
4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2191, rov. 4.3.3.
2.Vgl. recente arresten waarin voldaan was aan het motiveringsvoorschrift van art. 359 lid 6 Sv Pro: HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2852 (betrof een grensgeval; het hof had de opgelegde straf in de strafmotivering omschreven als een deels voorwaardelijke gevangenisstraf), HR 6 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2772 en HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2191.