Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat zich bij de stukken geen door de voorzitter en de griffier ondertekend origineel exemplaar bevindt van het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 18 juni 2014. Het
tweede middelbehelst de klacht dat de rechtbank bij het bepalen van de straf (1) geen rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde op de grond dat hij niet ter terechtzitting van 28 januari 2016 was verschenen, en (2) voorbij is gegaan aan hetgeen ter terechtzitting van 18 juni 2014 was aangevoerd over diens persoonlijke omstandigheden, met inbegrip van de erbarmelijke detentieomstandigheden in België.
beraadslaagt naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting”, zoals is voorgeschreven in artikel 350 Sv Pro, eerste lid, Sv. Om bij dit wetsartikel te blijven: dat kan niet integraal van toepassing zijn op de WOTS-procedure al was het maar omdat de WOTS-rechter voor in het bijzonder de bewezenverklaring “
is gebonden aan de vaststelling van de feiten die de buitenlandse rechter kennelijk aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd” [3] en dus niet mag beraadslagen over de vraag “
of bewezen is dat het feit door den verdachte is begaan”.
zoveel mogelijk” aan te sluiten “
bij de procedures van het Wetboek van Strafvordering […] ten einde deze wet geheel in het systeem van het Nederlandse recht te laten passen en onnodige toepassingscomplicaties te voorkomen.” [4]
Zo bepaalt het Wetboek noch hier, noch elders, wie aan de beraadslaging en de vaststelling van den inhoud van het vonnis zullen deelnemen. […] Vermoedelijk is de wetgever van oordeel geweest, dat het zoo van zelf sprak, dat de beraadslaging zou geschieden door de drie rechters, die de zaak – en deze in haar geheel – ter terechtzitting hadden onderzocht en wier onderzoek volgens de artt. 348 en 350 den grondslag moesten uitmaken van de beraadslaging, welke tot de beslissing leidde, dat hij het niet noodig heeft geacht dit uitdrukkelijk te zeggen.” [5]
inwendige openbaarheid”.
Tegenover de uitwendige openbaarheid […] staat […] de niet aan beperkende voorzieningen te onderwerpen inwendige openbaarheid. Bijzondere – niet algemeen bekende – feiten die buiten het onderzoek op de terechtzitting ter kennis van de rechtbank zijn gekomen, kunnen niet geldig aan de beslissing van de rechtbank ten grondslag worden gelegd: deze beperking geldt ten aanzien van alle onderdelen van de rechterlijke beslissing, met name ook ten aanzien van de gegevens die een rol kunnen spelen bij de in art. 350 opgeworpen Pro vragen.” [6]
ten aanzien van alle onderdelen van de rechterlijke beslissing”.
De veroordeelde is niet ter zitting van 28 januari 2016 verschenen. Hij heeft geen contact gehouden met zijn raadsvrouw en heeft het openbaar ministerie en de rechtbank niet gemeld waar hij naartoe vertrokken is. De rechtbank heeft bij het bepalen van de in Nederland op te leggen straf dan ook geen rekening kunnen houden met de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde. Tevens heeft de veroordeelde door dusdanig te handelen de voorwaarden van zijn schorsing overtreden.