Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
3.Het geding in feitelijke instanties
4.Het geding in cassatie
eerste cassatiemiddelstelt belanghebbende dat met de afschaffing van de vrijstelling voor kolenbelasting geen milieubeleidsoverwegingen in de zin van artikel 14, lid 1, onder a, van de Richtlijn worden nagestreefd. Naar de mening van belanghebbende is het creëren van opbrengst steeds het primaire doel van de maatregel geweest. [8] Belanghebbende meent dat het op grond van artikel 14, lid 1, onder a, van de Richtlijn niet is toegestaan de vrijstelling af te schaffen met als doel het genereren van opbrengst en daarbij enkel naar milieubeleidsoverwegingen te wijzen, zonder dat er daadwerkelijk milieueffecten (kunnen) zijn. Voorts gaat het Hof naar de mening van belanghebbende ten onrechte uit van een enge toepassing van de vrijstelling. De Richtlijn voorziet bij de productie van elektriciteit in een outputbelasting, aldus belanghebbende. Binnen dat systeem past een vrijstelling voor de input. [9] De reden dat de vrijstelling is opgenomen in de Richtlijn is het voorkomen van dubbele belasting [10] . De uitzondering op de vrijstelling dient daarom eng te worden opgevat. Een enkele verwijzing naar milieubeleidsoverwegingen is niet voldoende. In dit verband wijst belanghebbende op een aantal arresten van het HvJ inzake een al dan niet gerechtvaardigde inbreuk op de vrijheid van dienstverrichting. [11] Hieruit volgt naar de mening van belanghebbende dat de getroffen maatregelen ook daadwerkelijk moeten beantwoorden aan het doel dat deze nastreven. Voorts meent belanghebbende – in afwijking van de oordelen van de Rechtbank en het Hof – dat het toetsingskader dat het HvJ heeft ontwikkeld onder richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992, PB L 76, blz. 1-13 [12] van belang is in de onderhavige zaak. Belanghebbende merkt op dat als het werkelijk de bedoeling van de wetgever is geweest milieubeleidsoverwegingen na te streven, niet alleen de vrijstelling voor kolen was vervallen, maar eveneens die voor aardgas en minerale oliën. Belanghebbende komt tot de conclusie dat het Hof artikel 14, lid 1, onder a, van de Richtlijn onjuist heeft uitgelegd, dan wel onvoldoende heeft gemotiveerd hoe met de afschaffing van de vrijstelling van kolenbelasting milieubeleidsoverwegingen worden nagestreefd.
tweede cassatiemiddelonderbouwt belanghebbende als volgt. Belanghebbende meent dat kolen en gas ‘like products’ zijn in de zin van de General Agreement on Tariffs and Trade (GATT). Dit volgt naar haar mening uit de rechtspraak in het kader van de World Trade Organization (WTO) en de algemeen aanvaarde interpretatie van de GATT. [13] Het is vaste rechtspraak van de Appelate Body van de WTO dat de term ‘like products’ niet hetzelfde is als ‘identiek’. [14] Volgens belanghebbende is gesteld nog gebleken dat kolen en aardgas geen concurrerende producten zijn wanneer het aankomt op de productie van elektriciteit. De Overeenkomst moet worden gelezen in de geest van (artikel III van) de GATT, waardoor ook zijdelingse bescherming is verboden, aldus belanghebbende. Belanghebbende wijst in dit kader ook op de wetsgeschiedenis van de Overeenkomst. [15] Naar de mening van belanghebbende heeft deze bepaling wel degelijk een gelijke strekking als artikel 110 VWEU Pro en kan zij zich ingevolge
Chiquita Italia [16] op deze bepaling beroepen. Naar de mening van belanghebbende berust het oordeel van het Hof dat een verschil in behandeling tussen kolen en aardgas objectief is gerechtvaardigd, daar het gebruik van kolen aanzienlijk meer belastend is voor het milieu dan het gebruik van andere energieproducten zoals aardgas, op een onjuiste toepassing van het recht. Het mag zo zijn dat kolen tot een zwaardere milieudruk leiden dan aardgas, maar dat betekent naar de mening van belanghebbende niet dat geen sprake is van discriminatie. Volgens vaste rechtspraak van het HvJ dienen binnenlandse belastingen in het kader van artikel 110 VWEU Pro volgens objectieve criteria te worden geheven. [17] Differentiaties in belastingheffing zijn weliswaar toegestaan, maar alleen als deze zijn gebaseerd op objectieve criteria, evenredig zijn aan het na te streven doel en niet leiden tot een discriminerende of beschermende werking. [18] Hiervan is naar de mening van belanghebbende geen sprake, waardoor de heffing van kolenbelasting in strijd is met artikel 11 van Pro de Overeenkomst.
eerste cassatiemiddelbetoogt de Staatssecretaris, onder verwijzing naar punt 14 van de uitspraak van de Rechtbank en naar de aanvullende overwegingen in de uitspraak van het Hof, dat aan de afschaffing van de vrijstelling voor kolen die worden gebruikt voor het opwekken van elektriciteit wel degelijk milieubeleidsoverwegingen ten grondslag liggen. Belanghebbendes klacht dat het Hof de vrijstelling geen ruime werkingssfeer toedicht, kan naar de mening van de Staatssecretaris niet tot cassatie leiden, omdat deze ziet op een oordeel ten overvloede. Voorts merkt de Staatssecretaris op dat de voorkoming van dubbele belasting niet als doel is opgenomen in de aanhef van de in de Richtlijn opgenomen considerans. De Staatssecretaris meent dat de lidstaten een ruime mate van vrijheid hebben voor wat betreft de belastingheffing op energieproducten. [20] Voorts is de hoofdregel van de Richtlijn belastingheffing op kolen, zodat de vrijstelling naar zijn mening restrictief moet worden uitgelegd en een uitzondering daarop extensief. De door belanghebbende genoemde rechtspraak van het HvJ (genoemd in de punten 20 tot en met 22 van de motivering van het cassatieberoepschrift) is naar de mening van de Staatssecretaris niet van toepassing, omdat het in de genoemde zaken ging om nationale maatregelen die een van de EU-rechtelijke vrijheden beperkten. Daarvan is in de onderhavige zaak geen sprake, zodat ook de rechtspraak over rechtvaardigingsgronden niet van toepassing is. De milieubeleidsoverwegingen dienen naar de mening van de Staatssecretaris ter rechtvaardiging van de heffing op kolen en niet ter rechtvaardiging van een schending van het EU-recht. Ook de rechtspraak van het HvJ inzake richtlijn 92/12/EEG is naar de mening van de Staatssecretaris niet van toepassing.
tweede cassatiemiddelmerkt de Staatssecretaris op dat artikel 110 VWEU Pro niet van toepassing is, omdat dit artikel niet ziet op goederen die zijn ingevoerd uit derde landen. Bovendien zijn aardgas en kolen verschillende producten, zodat geen sprake is van schending van artikel 110 VWEU Pro. Om diezelfde reden is evenmin sprake van een schending van artikel 11 van Pro de Overeenkomst. De omstandigheid dat de producten met elkaar kunnen concurreren, maakt dat niet anders. Ook van een zijdelingse bescherming van binnenlandse producten is naar de mening van de Staatssecretaris geen sprake. Hij wijst erop dat in Nederlandse elektriciteitscentrales deels ook buitenlands aardgas wordt gebruikt dat evenals binnenlands aardgas is vrijgesteld van energiebelasting. Derhalve wordt volgens de Staatssecretaris geen concurrerend binnenlands product beschermd door de afschaffing van de vrijstelling. Mocht toch sprake zijn van discriminatie, dan is dat volgens het Hof objectief te rechtvaardigen doordat kolen in (veel) sterkere mate belastend zijn voor het milieu dan aardgas. De klacht tegen dit – ten overvloede – gegeven oordeel faalt naar de mening van de Staatssecretaris eveneens.
5.De heffing (en vrijstelling) van kolenbelasting
4. Vergroening
5. Vergroening
Aangezien de maatregel primair is gericht op het creëren van budgettaire opbrengsten in de sfeer van de milieubelastingen zijn geen andere niet-fiscale alternatieven overwogen.
5. Vergroening
Het kabinet is echter van mening dat kolen en gas, ondanks het feit dat deze producten met elkaar kunnen concurreren, verschillende producten zijn qua stoffelijke aard en qua milieubelasting die daarom geen gelijksoortige producten in de zin van artikel 110 van Pro het VWEU zijn. Het verschil in behandeling is naar de mening van het kabinet dan ook verenigbaar met artikel 110 van Pro het VWEU.
Deze afschaffing is niet bedoeld als alternatief voor de huidige maatregelen, maar als maatregel om de overheidsfinanciën op orde te brengen.
6.Milieubeleidsoverwegingen
milieubeleidsoverwegingenvan de vrijstelling voor energieproducten die worden gebruikt voor het opwekken van elektriciteit kan worden afgeweken.
eerste cassatiemiddelis belanghebbende van mening dat milieueffecten niet of nauwelijks
daadwerkelijkeen rol hebben gespeeld bij de afschaffing van de vrijstelling voor kolenbelasting, doch dat hiermee primair een budgettair doel werd nagestreefd.
alleenergieproducten en elektriciteit die word(t)(en) gebruikt bij het opwekken van elektriciteit aan belastingheffing moeten worden onderworpen.
alleenergieproducten en elektriciteit die word(t)(en) gebruikt bij het opwekken van elektriciteit aan belastingheffing worden onderworpen?
Flughafen Köln/Bonn [36] stond de vraag centraal of artikel 14, lid 1, onder a, van de Richtlijn rechtstreekse werking heeft. De Duitse regering had de vrijstelling namelijk niet tijdig geïmplementeerd in de nationale wetgeving, waardoor de belanghebbende in deze zaak genoodzaakt was een direct beroep op de Richtlijn te doen. Het HvJ oordeelt dat artikel 14, lid 1, onder a, van de Richtlijn rechtstreekse werking heeft en voegt aan dit oordeel toe:
Flughafen Köln/Bonnvolgt dat het niet-implementeren van de vrijstellingsverplichting voor energieproducten die worden gebruikt voor het opwekken van elektriciteit (in die zaak ging het om gasolie), niet impliceert dat een lidstaat gebruik heeft gemaakt van de uitzonderingsmogelijkheid van artikel 14, lid 1, onder a, tweede volzin, van de Richtlijn. Er moet dus ‘méér’ zijn. Hoeveel meer, blijkt echter niet uit dit arrest en evenmin uit andere rechtspraak van het HvJ. Dat er in de onderhavige zaak ‘meer’ is, staat niet ter discussie. De Nederlandse wetgever heeft immers expliciet gebruik gemaakt van de mogelijkheid uit milieubeleidsoverwegingen belasting te heffen over kolen die worden gebruikt voor het opwekken van elektriciteit. Het is echter de vraag of dit voldoende is.
voorgeschrevenbelastingvrijstellingen (dit artikel bepaalt hoe lidstaten uitvoering kunnen geven aan voorgeschreven belastingvrijstellingen of -verlagingen). Ik lees artikel 14, lid 1, van de Richtlijn niet als een uitzondering op artikel 1 van Pro de Richtlijn. Laatstgenoemd artikel bepaalt alleen maar dat belasting wordt geheven overeenkomstig de Richtlijn.
Flughafen Köln/Bonnspreekt het HvJ duidelijk over de in artikel 14, lid 1, onder a, van de Richtlijn opgenomen
verplichtingom energieproducten die worden gebruikt voor de opwekking van elektriciteit vrij te stellen. Het HvJ noemt artikel 14, lid 1, onder a, tweede volzin, van de Richtlijn in punt 32 een “beperking van de vrijstellingsregel”. In
Fendt Italiana [40] geeft het HvJ ook aan dat artikel 14 van Pro de Richtlijn een limitatieve opsomming bevat van de
verplichtevrijstellingen die voor de lidstaten gelden. Deze rechtspraak, tezamen met de tekst van artikel 14, lid 1, onder a, van de Richtlijn, duiden er naar mijn mening op dat de vrijstellingsbepaling de hoofdregel is en de heffing van belasting in artikel 14, lid 1, onder a, tweede volzin, van de Richtlijn is geformuleerd als een uitzondering op deze hoofdregel. Die uitzondering is slechts van toepassing onder de voorwaarden zoals verwoord in die uitzonderingsbepaling. Hoewel ik besef dat uit de rechtspraak van het HvJ (over bijvoorbeeld de Btw-richtlijn) volgt dat een vrijstelling in de regel, als zijnde een uitzondering op een hoofdregel, restrictief moet worden uitgelegd (zie ook punt 6.4 van de hofuitspraak), volgt mijns inziens uit de opbouw van de Richtlijn en de hiervoor genoemde rechtspraak dat de onderhavige vrijstellingsbepaling juist de hoofdregel is en de uitzondering daarop (heffing van belasting) restrictief moet worden uitgelegd.
Kernkraftwerke Lippe-Ems GmbH [41] volgt mijns inziens eveneens dat artikel 14, lid 1, van de Richtlijn niet als een uitzondering op artikel 1 van Pro de Richtlijn moet worden gelezen, maar dat beide artikelen zelfstandig naast elkaar bestaan:
Hüttenwerke Krupp Mannesmann [42] gaat de A-G in op de vraag of artikel 2, lid 4, onder b, van de Richtlijn moet worden gezien als een uitzondering op de algemene regel van belasting van energieproducten en elektriciteit of als een omschrijving van de werkingssfeer van de Richtlijn. Artikel 2, lid 4, van de Richtlijn omschrijft een aantal gevallen waarin de Richtlijn niet van toepassing is en energieproducten en/of elektriciteit niet zijn/is belast. De A-G overweegt (de originele voetnoten zijn overgenomen, maar vernummerd, en de cursivering is van mijn hand):
Om te beginnen wil ik benadrukken dat artikel 2, lid 4, van de richtlijn niet in een reeks uitzonderingen voorziet. In plaats daarvan wordt bij die bepaling de werkingssfeer van de richtlijn afgebakend. Dit blijkt mijns inziens duidelijk uit een systematische lezing van de richtlijn, waarvan artikel 2 de Pro producten en gebruiksdoeleinden definieert waarop de richtlijn van toepassing is.Uitzonderingen op en uitsluitingen van deze algemeen omschreven werkingssfeer worden verderop in de richtlijn vastgesteld, met name in de artikelen 17 tot en met 19. De opvatting dat artikel 2, lid 4, onder b), de werkingssfeer afbakent en niet in uitzonderingen voorziet, wordt gesteund door het arrest van het Hof in de zaak Fendt Italiana (betreffende richtlijn 92/81/EEG [45] , de voorloper van richtlijn 2003/96). [46]
Hüttenwerke Krupp Mannesmannziet op een andere bepaling uit de Richtlijn dan artikel 14, hanteert de A-G ook een systematische lezing van de Richtlijn, waarbij mijns inziens niet zou passen artikel 14, lid 1 als een uitzondering op artikel 1 van Pro de Richtlijn te lezen.
Kernkraftwerke Lippe-Ems GmbHhet volgende geoordeeld:
uit milieubeleidsoverwegingenaan belasting onderwerpen zonder inachtneming van de in deze richtlijn vastgestelde minimumbelastingniveaus.”
Flughafen Köln/Bonngeeft evenmin duidelijkheid. Het HvJ geeft enkel aan dat het bij deze beperking van de vrijstellingsregel slechts gaat om een mogelijkheid voor de lidstaten.
Polihim-SS, zoals hiervoor besproken. De vraag is alleen wel in hoeverre milieubeleidsoverwegingen als een doel kunnen worden beschouwd waaraan je kunt toetsen.
met specifieke doeleindenmogen heffen over minerale oliën, alcohol en alcoholhoudende dranken en tabaksfabrikaten.
Transportes Jordi Besora [57] heeft het HvJ geoordeeld over de reikwijdte van het begrip specifieke doeleinde in artikel 3, lid 2, van richtlijn 92/12/EEG. De betreffende belanghebbende had aangevoerd dat de invoering van een belasting op de detailverkoop van minerale oliën in strijd was met dit artikel nu een zuiver begrotingstechnisch doeleinde werd nagestreefd. Het HvJ overweegt:
eerste cassatiemiddel. Alsdan wordt toegekomen aan het
tweede cassatiemiddelvan belanghebbende, dat ik hierna zal bespreken.
7.Ongeoorloofde discriminatie
Simba [65] evenwel ook geoordeeld dat met internationale akkoorden tussen de Europese Gemeenschap en derde landen rekening moet worden gehouden voor zover die akkoorden bepalingen bevatten die van invloed kunnen zijn op de beslissing in het betreffende hoofdgeding. De Europese Gemeenschap (en later haar rechtsopvolger de Europese Unie; hierna: de Unie) heeft met Rusland een Overeenkomst [66] gesloten die een min of meer vergelijkbare bepaling kent als artikel 110 VWEU Pro. Artikel 11 van Pro de Overeenkomst luidt als volgt:
like domestic products. Moreover, no contracting party shall otherwise apply internal taxes or other internal charges to imported or domestic products in a manner contrary to the principles set forth in paragraph 1.
tweede cassatiemiddelonder meer dat kolen en aardgas ‘like products’ zijn als bedoeld in artikel 11 van Pro de Overeenkomst. Belanghebbende verbindt hieraan de conclusie dat het ongeoorloofd is vanuit Rusland ingevoerde kolen die worden gebruikt voor het opwekken van elektriciteit te belasten met kolenbelasting terwijl (grotendeels Nederlands) aardgas dat eveneens wordt gebruikt voor het opwekken van elektriciteit, niet aan enige belastingheffing is onderworpen.
Metalsaonderzoekt het HvJ of artikel 18 van Pro de Vrijhandelsovereenkomst tussen de EEG en Oostenrijk [73] op dezelfde wijze moet worden uitgelegd als artikel 95 EEG Pro (thans artikel 110 VWEU Pro). In deze zaak ging het om de invoer van aluminiumplaten waarvoor Metalsa geen invoerrechten had betaald. In verband daarmee had de Italiaanse belastingdienst beslag gelegd op de aluminiumplaten. Metalsa vorderde het beslag op te heffen op de grond dat de sanctie niet in verhouding stond tot de sanctie op een overtreding van de btw-voorschriften bij levering van de goederen in het binnenland. In geschil is of artikel 18 van Pro de Vrijhandelsovereenkomst tussen de EEG en Oostenrijk net zo ruim moet worden uitgelegd als artikel 95 EEG Pro, in die zin dat een nationale wettelijke regeling overtredingen met betrekking tot de btw bij invoer zwaarder bestraft dan overtredingen met betrekking tot de btw bij levering van goederen in het binnenland niet is toegestaan (punt 14).
Kupferberg [74] komt het HvJ tot het oordeel dat de uitlegging van artikel 95 EEG Pro niet van overeenkomstige toepassing is op artikel 21 van Pro de Vrijhandelsovereenkomst tussen de EEG en Portugal. In die zaak ging het om de invoer van portwijn uit Portugal. Het HvJ overwoog:
Kupferbergdat dit een communautair begrip is, dat uniform moet worden uitgelegd:
Camar [75] in dezelfde lijn. In deze zaak stond een Italiaanse verbruiksbelasting op bananen centraal. In geschil was of deze heffing in strijd was met artikel 14 van Pro de Eerste overeenkomst van Yaoundé [76] . Omdat in Italië niet of nauwelijks bananen werden geproduceerd, werd de heffing effectief alleen geheven bij de invoer van bananen, in casu vanuit Somalië, terwijl over traditioneel in Italië geproduceerd tafelfruit geen belasting was verschuldigd. Het HvJ oordeelde in deze zaak:
X [81] overweegt het HvJ in uitgebreide bewoordingen welke kenmerken van een auto van belang zijn om te bepalen of sprake is van gelijksoortigheid. Ik citeer en cursiveer:
zijnde producten van dezelfde soort als ingevoerde tweedehands voertuigen, wanneer zij zich door hun eigenschappen en door de behoeften waarin zij voorzien, in een concurrentieverhouding bevinden.De mededinging tussen twee modellen hangt af van de mate waarin zij voldoen aan een aantal vereisten op het punt van, onder meer,
prijs, afmetingen, comfort, prestaties, verbruik, duurzaamheid en betrouwbaarheid.Het referentievoertuig moet het voertuig zijn waarvan de kenmerken het dichtst aanleunen bij die van het ingevoerde voertuig. Dat houdt in dat rekening wordt gehouden met het
model, het type en andere kenmerken, zoals de aandrijving of de uitrusting, de ouderdom en de kilometerstand, de staat van onderhoud of het merk(zie met name arresten van 19 september 2002, Tulliasiamies en Siilin, C‑101/00, Jurispr. blz. I‑7487, punten 75 en 76, en 20 september 2007, Commissie/Griekenland, C‑74/06, Jurispr. blz. I‑7585, punten 29 en 37).
Kupferbergvolgt dat producten (likeurwijnen waaraan alcohol is toegevoegd en door natuurlijke gisting verkregen wijnen) die zowel door hun vervaardigingswijze als door hun kenmerken onderling verschillen niet als gelijksoortig kunnen worden beschouwd. In het eerder aangehaalde arrest
Camarheeft het HvJ geoordeeld dat van gelijksoortigheid geen sprake is indien de producten (bananen en tafelfruit) andere kenmerken vertonen en vanuit gebruikersoogpunt niet aan dezelfde behoeften voldoen. Uit
Commissie/Frankrijk [82] volgt dat artikel 95, eerste alinea, EEG (thans artikel 110, eerste alinea, VWEU) ruim en het begrip ‘gelijksoortige producten’ voldoende soepel moeten worden uitgelegd. Voor de toepassing van artikel 95, eerste alinea, EEG dient niet de volstrekte identiteit, maar het soortgelijke en vergelijkbare gebruik als maatstaf te worden gehanteerd. Tot slot laat
Xzien dat sprake is van gelijksoortige producten wanneer de producten door hun eigenschappen en door de behoeften waarin zij voorzien, zich in een concurrentieverhouding tot elkaar bevinden. [83]
Camarworden opgemaakt dat indien de productie van kolen (in
Camarbetrof het de banenproductie) in de betrokken lidstaat uiterst gering of zelfs onbestaand is en dus te verwaarlozen, voor de beoordeling van de gelijksoortigheid een vergelijking dient te worden gemaakt met de binnenlandse energieproductie (in
Camar; inheems tafelfruit) van de betrokken lidstaat. [84] Zowel kolen als aardgas zijn fossiele brandstoffen die kwalificeren als energieproducten in de zin van de Richtlijn. [85] Beide producten voorzien in dezelfde behoefte, in die zin dat zij beide (kunnen) worden gebruikt voor het opwekken van elektriciteit. Hoewel er dus zeker overeenkomsten zijn tussen kolen en aardgas, hebben beide energieproducten ook duidelijk verschillende eigenschappen. Allereerst de verschijningsvorm. Het is van algemene bekendheid dat aardgas over het algemeen gasvormig of vloeibaar is, terwijl kolen steeds een vaste vorm hebben. Voorts levert de verbranding van beide producten blijkens de Memorie van Antwoord (zie punt 5.10 van deze conclusie) niet dezelfde hoeveelheid energie op en komen daarbij bovendien andere concentraties schadelijke stoffen vrij.
concurrerendeproducten verbiedt.
Camaraf dat als de Unie en Rusland ook zijdelings fiscaal protectionisme hadden willen voorkomen, zij dit expliciet in de Overeenkomst hadden moeten opnemen. Over de verhouding tussen artikel 90, eerste en tweede alinea, EG (thans artikel 110 VWEU Pro) en de overeenkomstige bepalingen in een vrijhandelsovereenkomst overweegt het HvJ in
Camarnamelijk het volgende:
Commissie/Frankrijkheeft het HvJ de verhouding tussen de eerste en tweede alinea van artikel 95 EEG Pro (thans artikel 110 VWEU Pro) als volgt verwoord:
Xlijkt het HvJ daarentegen het concurrentie-aspect ook te betrekken bij de beoordeling of sprake is van gelijksoortigheid, nu het HvJ overweegt dat sprake is van gelijksoortige producten wanneer de producten zich door hun eigenschappen en door de behoeften waarin zij voorzien in een concurrentieverhouding bevinden. Het criterium van de concurrentieverhouding bij de beoordeling van de gelijksoortigheid lees ik echter in het licht van de beoordeling of producten over dezelfde eigenschappen beschikken en in dezelfde behoeften voorzien. Indien producten niet dezelfde objectieve kenmerken hebben (bananen ≠ inheems tafelfruit en kolen ≠ aardgas), moet worden beoordeeld of de niet-soortgelijke producten op andere gronden met elkaar concurreren. Ik ga weer even terug naar
Camar. Omdat in Italië niet of nauwelijks bananen werden geproduceerd, werd in die zaak effectief alleen belasting geheven bij de invoer van bananen, terwijl over traditioneel in Italië geproduceerd tafelfruit geen belasting was verschuldigd. Dit leidt echter alleen tot een inbreuk op het verbod van artikel 110, tweede alinea, VWEU indien in de betreffende vrijhandelsovereenkomst een overeenkomstige bepaling is opgenomen. In artikel 11 van Pro de Overeenkomst is een dergelijke bepaling niet opgenomen, waardoor te dezen geen beroep kan worden gedaan op het verbod van zijdelings fiscaal protectionisme.
Camarvolgt dat dan nog dient te worden nagegaan of de doelstelling van de Overeenkomst ertoe noopt artikel 11, ondanks de beperkte bewoordingen ervan, aldus uit te leggen dat het eveneens betrekking heeft op maatregelen van intern fiscale aard die vergelijkbaar zijn met de door artikel 110, tweede alinea, VWEU verboden maatregelen. [87] De doelstelling van artikel 110 VWEU Pro is het vrije verkeer van goederen tussen de lidstaten onder normale mededingingsvoorwaarden te verzekeren door elke vorm van protectionisme te verbieden. Blijkens artikel 1 van Pro de Overeenkomst heeft het partnerschap tussen de Unie en Rusland ten doel de “handel en investeringen en harmonische economische betrekkingen tussen de partijen te bevorderen op grond van de beginselen van de markteconomie en aldus hun duurzame ontwikkeling te stimuleren” alsmede “de nodige voorwaarden te scheppen om in de toekomst een vrijhandelszone tussen de Gemeenschap en Rusland tot stand te brengen die wezenlijk alle goederenverkeer tussen beide zal omvatten, en de voorwaarden te scheppen om de vrijheid van vestiging van vennootschappen en vrij grensoverschrijdend diensten- en kapitaalverkeer tot stand te brengen”. Nu blijkens de rechtspraak van het HvJ een dergelijke doelstelling van de Overeenkomst verschilt van die van het VWEU, kan ook op die grond geen ruimere reikwijdte aan artikel 11 van Pro de Overeenkomst worden toegekend. De draagwijdte van een bepaling van een vrijhandelsovereenkomst als artikel 11 van Pro de Overeenkomst gaat aldus niet verder dan het verbod op een discriminerende belasting van gelijksoortige producten.
tweede cassatiemiddelfaalt derhalve.
8.Recapitulatie
eerste cassatiemiddelvoert belanghebbende aan dat de wetgever de vrijstelling van kolenbelasting voor kolen die worden gebruikt voor het opwekken van elektriciteit niet mocht afschaffen. Belanghebbende meent dat aan het afschaffen van voornoemde vrijstelling niet daadwerkelijk milieubeleidsoverwegingen ten grondslag liggen. Hoewel de wetgever in de parlementaire geschiedenis aangeeft dat milieubeleidsoverwegingen mede ten grondslag liggen aan de introductie van een heffing over kolen die worden gebruikt voor het opwekken van elektriciteit, vraag ik me af of dit voldoende rechtvaardiging biedt voor deze heffing. Ik stel dan ook voor de volgende prejudiciële vragen voor te leggen aan het HvJ:
tweede cassatiemiddeldoet belanghebbende een beroep op artikel 11 van Pro de Overeenkomst en artikel 110 VWEU Pro. Nu kolen en aardgas geen gelijksoortige producten zijn en artikel 11 van Pro de Overeenkomst evenmin bescherming biedt tegen een heffing over een buitenlands product dat weliswaar niet gelijksoortig is aan een binnenlands product, maar welke wel met elkaar concurreren, faalt dit middel.