Conclusie
Op dezelfde dag is het samenwerkingsverband met [C] tot stand gebracht.
zouden daarom in verband met de overdracht van [B] (€ 1.300.000,- - € 175.000,- =) € 1.125,000,- betalen aan [verweerder] c.s., welk bedrag volledig aan [verweerder] c.s. ten goede zou komen. Dat [verweerder] c.s. niet zouden behoeven af te rekenen met de Belastingdienst wordt door partijen wel aangeduid als het ‘geruisloos doorschuiven’ van de vennootschap van [verweerder] c.s. naar [betrokkenen]
[verweerder] c.s.
ABAB heeft een memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep genomen.
2.Het principale cassatieberoep
subonderdeel 2.6, omdat het zich richt tegen een door het hof vastgesteld feit in rov. 3.1.2 onder h, derde volzin [5] . Deze zin luidt (voor de leesbaarheid citeer ik de rechtsoverweging volledig en cursiveer ik de bestreden volzin):
De waarde van het aandeel van [verweerder] c.s. in [B] was vastgesteld op € 1.300.000,-.De omvang van de naar [betrokkenen] doorgeschoven’ belastingclaim werd, in navolging van een berekening door ABAB, begroot op € 175.000,-. [betrokkenen] zou daarom in verband met de overdracht van [B] (€ 1.300.000,- - € 175.000,-=) € 1.125,000,- betalen aan [verweerder] c.s. Dit bedrag zou volledig aan [verweerder] c.s. ten goede komen. Dat [verweerder] c.s. niet zou behoeven af te rekenen met de Belastingdienst wordt door partijen wel aangeduid als het ‘
geruisloos doorschuiven’ van de vennootschap van [verweerder] c.s. naar [betrokkenen] ”
[betrokkenen] (om welke reden dan ook) niet bereid was om feitelijk méér te betalen dan € 1.125.000,-, ervoor had kunnen kiezen om (zijn aandeel in) [B] niet van de hand te doen. Gelet hierop staat, in zoverre, vast dat het vereiste causaal verband bestaat tussen de tekortkoming en de schade ter hoogte van € 175.000,-. ABAB heeft weliswaar gesteld dat [verweerder] c.s. niet zou hebben gekozen voor het (voorlopig) niet van de hand doen van [B] , maar heeft niet deugdelijk onderbouwd waarom dit in 2006 geen reële optie was (het hof gaat voorbij aan de stellingen van ABAB in de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep onder 2.11-2.12; het had op de weg van ABAB gelegen om deze stellingen in een eerder stadium naar voren te brengen, zodat [verweerder] c.s. daarop had kunnen reageren; los daarvan is het gestelde te speculatief om er rekening mee te houden).”
subonderdelen 1.1en
1.2richten klachten tegen het oordeel van het hof dat het voorbijgaat aan de stellingen van ABAB in de memorie van antwoord in incidenteel appel onder 2.11-2.12, omdat “het op de weg van ABAB [had] gelegen om deze stellingen in een eerder stadium naar voren te brengen, zodat [verweerder] c.s. daarop had kunnen reageren”.
subonderdeel 1.3komt ABAB op tegen het ‘los-daarvan’-oordeel van het hof dat “het gestelde te speculatief [is] om er rekening mee te houden” [7] .
subonderdeel 1.3.
gereageerdhebben, wat impliceert dat zij deze stellingen überhaupt niet, laat staan gemotiveerd, betwist hebben, en omdat niet, laat staan zonder méér, valt in te zien, waarom deze stellingen reeds op voorhand, ongeacht ook maar enige reactie van [verweerder] c.s., niet vast zouden kunnen komen te staan en/of, laat staan zeer, ongeloofwaardig zouden zijn”.
onderdeel 3. In de door dit onderdeel bestreden rechtsoverweging heeft het hof als volgt overwogen (voor de leesbaarheid citeer ik ook rov. 3.7.4):
subonderdelen 2.3en
2.4is dit oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.
Subonderdeel 2.3betoogt daartoe dat [C] (maar volgens de cassatieadvocaat van ABAB: [betrokkenen] ) ter comparitie heeft verklaard niet bereid te zijn meer dan € 1.125.000,- te betalen ook “nadat bleek dat de belastingclaim uiteindelijk verdwenen was omdat [verweerder] deze moest betalen”.
[verweerder 1] en mr. Linssen verklaren:
€ 1.125.000,- te willen betalen. Het subonderdeel verwijst voorts naar par. 8 van de conclusie van antwoord van ABAB en hetgeen in de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel in par. 39 door [verweerder] c.s. is gesteld.
subonderdelen 2.1(tweede klacht),
2.2(eerste klacht) en
2.5klagen dat het hof met dit oordeel heeft miskend dat ABAB heeft gesteld dat het aandeel van
[verweerder] c.s. veel minder waard is dan € 1.125.000,- en dat [verweerder] c.s. - in de hypothetische situatie dat ABAB inzake variant 2 juist zou hebben geadviseerd - derhalve geen schade zouden hebben geleden indien [verweerder] c.s. hun aandeel in [B] niet zouden hebben verkocht. In dit verband wordt verwezen naar de stellingen van ABAB in de memorie van antwoord in incidenteel appel onder 2.11, waar ABAB heeft gesteld dat en waarom met het aandeel van [betrokkenen] in de te verdelen stille reserves in [B] (dus: de vennootschap onder firma tussen [verweerder] c.s. en [betrokkenen] ) een bedrag van € 346.745,- gemoeid was en dat [betrokkenen] hun aanspraak op dit bedrag in hun transactie met [verweerder] c.s. ten voordele van [verweerder] c.s. hebben laten zitten. Dit impliceert onmiskenbaar, aldus de subonderdelen, dat [betrokkenen] , gezien dit aan hen toekomende deel van de stille reserves, aanzienlijk meer betaald hebben aan [verweerder] c.s. dan het aandeel dat [verweerder] c.s. aan [betrokkenen] verkochten waard was [11] .
subonderdeel 2.1(eerste klacht), uit het gegeven dat [C] voor [B] een bedrag van € 1.300.000,- heeft betaald aan [betrokkenen] niet zonder meer volgen dat de waarde van het aandeel van [verweerder] c.s. in [B] gelijk zou zijn aan dit bedrag. De waarde van een aandeel in de onderneming is iets anders dan de waarde van de onderneming [12] . Voorts kan, volgens
subonderdeel 2.1(derde klacht), uit het feit dat [C] bereid was om een bedrag van € 1.300.000,- aan [betrokkenen] te betalen voor [B] , niet worden afgeleid dat dit bedrag ‘dus’ ook precies de waarde zou zijn van het object van die overdracht. Uit het enkele gegeven dat een bepaald persoon bereid is een bepaald bedrag te betalen voor een object kan niet zonder meer volgen dat dit bedrag dus gelijk zou zijn aan de objectieve waarde resp. marktwaarde van dit object [13] .