Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
“Van je ouders en van [betrokkene 1] hebben wij indertijd begrepen dat uw broer mede huurder was van het betreffende appartement. Wij hebben toen geadviseerd om in ieder geval de betalingen door uw broer te laten verrichten. (...). Het is wel evident dat het in de bedoeling lag uw broer als eerste huurder aan te merken. (...)”[verweerder] heeft voorts erop gewezen dat hij vanaf januari 2003 de huurbetalingen heeft verricht, eerst aan [betrokkene 1] en daarna aan [eiser] (waartegen [eiser] in eerste instantie niet heeft geprotesteerd), en dat hem bovendien na het overlijden van [betrokkene 1] het recht van eerste koop is aangeboden.
rechtsoordeeldat volgt uit bepaalde (vast)gestelde feiten. Indien de rechthebbende meent dat een ander zonder recht of titel in een hem in eigendom behorend pand verblijft en een ontruiming wenst te bewerkstelligen, dan dient hij feiten te stellen die het oordeel dat die ander zonder recht of titel in het pand verblijft, kunnen rechtvaardigen. Indien
die feitenworden betwist, dan dient de steller die te bewijzen. [2] Op zijn beurt dient gedaagde de zelfstandige rechtsgevolgen van feiten waarop hij zich beroept ter afwering van de vordering, te stellen en zo nodig te bewijzen. [3]
geensprake is van een huurovereenkomst.
Na verwijzing zal het hof met toepassing van de regels van art. 7:267 en Pro 7:268 BW (voortzetting huur door medehuurder na overlijden) moeten beoordelen of [verweerder] medehuurder is geworden en na het overlijden van zijn moeder huurder, [5] dan wel of hij de huurovereenkomst met instemming van de verhuurder heeft overgenomen van zijn ouders (of moeder).