Conclusie
3. Vendia Group B.V.
1.Feiten en procesverloop
Promissory Note(hierna: de
Note) aan Alstonville verstrekt. De betalingsverplichting is als volgt in de
Noteverwoord:
Maturity.The principal amount of this Promissory Note (…) shall be paid in full, (…) on March 31, 2011 or such other date as may be agreed between the Maker [=Weaver] and Alstonville in writing (the “Maturity Date”).’
lock upopgenomen, in de vorm van de bepaling dat Vendia gedurende een periode van 24 maanden de aandelen SnackTime niet mag verkopen, en dat zij daarna gedurende nog eens 12 maanden 60% van haar belang in SnackTime niet mag verkopen.
(…)
(B) Partijen zijn op 25 mei 2007 tezamen met Alstonville (…) en AVA Corporation N.V. een
share and receivable purchase agreement(de “SRPA”) overeengekomen. In artikel 11 van Pro de SRPA is bepaald dat vorderingen die Weaver mocht hebben op Vendia niet opeisbaar en betaalbaar zullen zijn zolang Weaver niet aan Alstonville (…) de verschuldigde bedragen onder een zogeheten Promissory Note van 25 mei 2007 (de “Note”) heeft voldaan.
(…)
1.
Definities
2.1 Weaver verklaart dat zij een bedrag te vorderen heeft van Vendia hetgeen Vendia bevestigt (de “
Weaver Vordering”). Partijen bevestigen dat per 31 december 2010 de Weaver Vordering EUR 1.512.968 bedraagt (…)
2.2 Vendia verklaart dat zij een bedrag te vorderen heeft van Weaver hetgeen Weaver bevestigt (“de
Vendia Vordering”). Partijen bevestigen dat per 31 december 2010 de Vendia Vordering EUR 17.611 bedraagt (welk bedrag na 31 december 2010 (door het oplopen van rente – zie artikel 3 – zal vermeerderen). (…)
4.1 Conform het bepaalde in de SRPA, geldt dat de Weaver Vordering een achtergesteld karakter heeft, in die zin dat zolang de Note nog niet door Weaver is voldaan, Vendia geen betaling zal doen op de Weaver Vordering.
(…)
6.1 Zolang de Note niet door Weaver is voldaan, zijn de Vorderingen niet opeisbaar te maken door opzegging of anderszins.
Note): 109,5 pence en
Notetoegezegde betaaldatum van 31 maart 2011 (rechtsoverweging 3.4). Voor de beantwoording van de vraag hoe artikel 1 van Pro de
Notemoet worden uitgelegd, komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, de zogenoemde Haviltexmaatstaf (rechtsoverweging 3.6).
Notein de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (rechtsoverweging 3.9). Voorts is niet komen vast te staan dat Alstonville gerechtvaardigd het vertrouwen heeft gewekt dat zij in maart 2011 geen beroep zou doen op betaling (rechtsoverweging 3.10).
Weaver is teruggebracht tot 1 euro, zodat de mogelijkheden van verhaal voor Alstonville vrijwel nihil zijn geworden. Zonder de Transactie en de Leningsovereenkomst had Alstonville zich daarentegen kunnen verhalen op het vermogen van Weaver, met een geschatte waarde van bijna GBP 6 miljoen. Weaver c.s. hadden ook wetenschap van de benadeling, nu de Interne Herstructurering als enig doel had om te voorkomen dat Alstonville haar vordering uit hoofde van de
Notedaadwerkelijk zou gaan verhalen op het vermogen van Weaver (rechtsoverwegingen 3.14-3.17).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Note(onderdeel 1), de door het hof als paulianeus aangemerkte Interne Herstructurering (onderdeel 2) en de aansprakelijkheid van [eiser 4] en [eiser 5] als (indirect) bestuurders van Weaver (onderdeel 3).
subonderdeel 1.1klagen Weaver c.s. dat het hof in strijd met art. 24 Rv Pro de stellingen dan wel gronden van Alstonville c.s. heeft aangevuld en/of in strijd met art. 149 Rv Pro feiten heeft bijgebracht door te overwegen dat de door Weaver c.s. aangevoerde omstandigheden (onder meer) hebben geleid tot de afspraak dat Weaver de resterende koopprijs pas vier jaar later, op 31 maart 2011, hoefde te betalen (slot van rechtsoverweging 3.8). De aangevallen overweging luidt in zijn geheel als volgt:
Noteniet een onverkorte verplichting voor Alstonville voortvloeit om elk uitstelvoorstel te accepteren, maar om in redelijkheid en te goeder trouw te overleggen over en mee te werken aan een verschuiving van de betaaldatum, indien de omstandigheden dat verlangen. In ’s hofs overweging ligt mijns inziens mede de verwerping van dit verweer besloten. Daarvan uitgaande mist het middel dus in zoverre feitelijke grondslag.
subonderdeel 1.2richten Weaver c.s. zich vervolgens tegen rechtsoverweging 3.9, dat luidt als volgt:
Notemet inachtneming van de redelijkheid en billijkheid moet worden uitgelegd en/of aangevuld met een gehoudenheid van Alstonville om ten minste te goeder trouw te overleggen over verschuiving van de uiterste betaaldatum van 31 maart 2011. Daarbij beroept het middel zich opnieuw op de drie omstandigheden zoals door het hof onder 3.8 weergegeven, en legt daarbij een bijzondere nadruk op de derde van die omstandigheden (namelijk dat de middelen om de volledige koopprijs onder de ‘Uitkoop’ te voldoen, uit Vendia dienden te komen).
Notealdus uitleggen dat daaruit voor partijen de gehoudenheid volgde om over verschuiving van de uiterste betaaldatum te overleggen. Ik lees daar niet dat het overeengekomene (waaronder artikel 1) een leemte laat die met behulp van de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid dient te worden opgevuld. In zoverre mist het middel dus feitelijke grondslag.
Weaver c.s. inspanningen hebben verricht om waarde in Vendia te creëren, teneinde de
Notevanuit liquide middelen te kunnen terugbetalen. Uit het begin van rechtsoverweging 3.9 blijkt dat het hof deze stelling in zijn beoordeling heeft betrokken maar klaarblijkelijk van onvoldoende gewicht heeft geacht. Dat de daarvoor gegeven motivering ontoereikend is, kan ik niet inzien.
lock upde enige reële en daags voor de SnackTime-transactie aan Alstonville gecommuniceerde mogelijkheid was voor het behoud van de waarde van de bezittingen van Vendia, is niet ten grondslag gelegd aan het beroep van Weaver c.s. op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid. In plaats daarvan komt ze voor in de door Weaver c.s. bij memorie van grieven bij wijze van inleiding gegeven uiteenzetting van de feiten. [10]
subonderdeel 1.3, dat klaagt over de overweging van het hof in zijn arrest onder 3.9 dat Weaver c.s. met de SnackTime-transactie het risico hebben aanvaard dat Weaver niet in staat zou zijn het bedrag van € 1.459.503,81 op 31 maart 2011 aan Alstonville te betalen en dat de koers van de aandelen SnackTime zou dalen. Volgens het subonderdeel is ’s hofs oordeel onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd in het licht van de volgende stellingen van Weaver c.s.:
lock upwas de enige reële, en daags voor de SnackTime-transactie aan Alstonville gecommuniceerde mogelijkheid voor het behoud van de waarde van de bezittingen van Vendia en het zeker stellen van continuïteit van Weaver en Vendia;
(ii) tussen partijen was van meet af aan voorzien dat betaling van de
Notealleen plaats zou kunnen vinden indien tijdig waarde zou kunnen worden gecreëerd in Vendia en
(iii) zonder deze SnackTime-transactie was de continuïteit van Vendia UK (en daarmee van Vendia) als
going concernzonder meer in het gedrang gekomen en zou het zeker niet meer mogelijk zijn geweest om (op termijn) financiële middelen te genereren ter voldoening van de vordering van Alstonville onder de
Note.
Noteverschuldigde bedrag tijdig terug te betalen. Ik krijg de indruk dat het middel eigenlijk iets anders bedoelt, namelijk dat Weaver c.s. bedoeld risico móchten aanvaarden. Die klacht lees ik in het middel echter niet. Zou het middel zo welwillend behoren te worden gelezen dat het die klacht wél bevat, dan komt dat erop neer dat het middel uw Raad vergeefs vraagt om een herbeoordeling van een aan de rechter die over de feiten oordeelt voorbehouden afweging van feiten en omstandigheden. Onbegrijpelijk is het oordeel van het hof in ieder geval niet.
core businessis om zowel met goede als met kwade kansen om te gaan, die vooraf zo goed mogelijk in te schatten en op basis van die inschatting te contracteren. Hoe dan ook, zoals gezegd, het oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk.
Noteniet op 31 maart 2011 zou kunnen worden voldaan en Alstonville daartegen toen geen bezwaar maakte. Vergelijk de bespreking van subonderdeel 1.4 hierna.
lock upde Note niet op 31 maart 2011 zou kunnen worden voldaan en dat Alstonville daartegen geen bezwaar maakte. Nu Weaver c.s. geen bewijs hebben aangeboden, is hetgeen zij stellen niet komen vast te staan en gaat het hof daaraan voorbij.’
lock upde
Noteniet zou kunnen worden voldaan en (ii) dat toen van de zijde van Alstonville daartegen geen bezwaar is gemaakt. In dit licht dunkt mij ’s hofs oordeel dat de stellingen van Weaver c.s. door Alstonville c.s. gemotiveerd waren betwist, alleszins begrijpelijk. Ten overvloede: de betwisting door Alstonville c.s. sloot ook aan bij de verklaring van [betrokkene], adviseur van Alstonville, ter gelegenheid van de comparitie in eerste aanleg. [13] Volgens die verklaring heeft [betrokkene], toen [eiser 4] hem vertelde van de voorgenomen SnackTime-transactie en de
lock up, tegen [eiser 4] gezegd dat het hem niet uitmaakte ‘zolang hij mij op 31 maart 2011 maar zou terugbetalen’.
lock upaan haar was meegedeeld;
lock upsprak, van welke verklaring Alstonville ook in appel geen afstand heeft genomen;
lock upen het effect daarvan op het vermogen van Weaver tot betaling op de
maturity datevan de
Noteheeft gesproken, waarbij de SnackTime-transactie inclusief
lock upbij [betrokkene] niet op een bezwaar stuitte;
Noteop 31 maart 2011 zou worden betaald en dat in reactie daarop Alstonville geen bezwaar zou hebben gemaakt. Onjuist is in ieder geval punt (v), volgens welke de stellingen van Alstonville c.s. in hoger beroep haaks staan op die in eerste aanleg. De inleidende dagvaarding onder 12 (en 11) houdt zakelijk niet meer in dan dat Alstonville daags voor de SnackTime-transactie op de hoogte was gebracht. Ook volgens het in hoger beroep door Alstonville c.s. ingenomen standpunt is dat juist (zie onder 2.19). Dat de memorie van grieven ook niet in strijd is met de verklaring van [betrokkene], maar bij die verklaring juist aansluit, is al gezegd.
tweede onderdeelvan het middel richt zich met vijf subonderdelen [14] tegen de rechtsoverwegingen 3.15 tot en met 3.17 van het arrest van het hof. Die overwegingen luiden:
Noteis voldaan. Een eventueel beslag op die vordering zou dus niets opleveren. Het is dan ook evident dat de mogelijkheden van verhaal voor Alstonville op het vermogen van Weaver als gevolg van de Interne Herstructurering vrijwel nihil zijn geworden.
lock upwordt verdisconteerd, was volgens de stelling van Alstonville dit vermogen ruim toereikend voor de resterende koopsom. Deze stelling is door Weaver c.s. onvoldoende gemotiveerd weersproken. Daarmee staat de benadeling vast.
Noteop de aandelen van Vendia zou gaan verhalen. [15] Men kan dit aldus opvatten dat, onaardig gezegd, Weaver c.s. Alstonville c.s. de voet dwars hebben willen zetten. Niettemin betogen Weaver c.s. in deze procedure dat Alstonville niet werkelijk in haar verhaalsmogelijkheden is benadeeld, omdat er na de Interne Herstructurering een gelijkwaardig alternatief bestond, namelijk verhaal op de vordering van Weaver op PPF; met de Interne Herstructurering hebben Weaver c.s. slechts hun onderhandelingspositie ten opzichte van Alstonville c.s. willen versterken. [16] Aldus betwisten Weaver c.s. de door Alstonville c.s. gestelde benadeling gemotiveerd. Het hof heeft die betwisting gepasseerd, maar deels op grond van een onjuiste veronderstelling en bovendien zonder behoorlijk te responderen op diverse stellingen van Weaver c.s. (zie hierna bij de bespreking van de klachten van dit onderdeel). Hoezeer ook Weaver c.s. de schijn tegen zich mogen hebben, met een dergelijke gebrekkige motivering behoeven zij geen genoegen te nemen. Ik kan mij zeer wel voorstellen dat het hof het moeilijk vond om grip op de feiten te krijgen. In dat geval bestond er echter het alternatief dat het hof zich door een of meer deskundigen liet voorlichten. [17] De omstandigheid dat volgens de eigen stellingen van Weaver c.s. de Interne Herstructurering een reactie was op gevreesd verhaal, had het hof daarbij eventueel kunnen aangrijpen om – in plaats van Alstonville c.s. als oorspronkelijke eisers – Weaver c.s. met het voorschot op de kosten van de deskundige te belasten, of het voorschot over partijen te verdelen (art. 195 Rv Pro).
lock upniet het gevolg is van de beide rechtshandelingen waarvan de vernietiging door Alstonville c.s. is ingeroepen (namelijk de Leningsovereenkomst en de Transactie), maar van een eerder verrichte rechtshandeling (de SnackTime-transactie). [18] Een complicerende factor is bovendien dat de Weaver Vorderingen zijn achtergesteld in de SRPA. De geldigheid van deze eerder verrichte rechtshandelingen is hier niet in debat, terwijl de
lock upen de achterstelling wel verstrekkende gevolgen lijken te hebben voor de verhaalsmogelijkheden van Alstonville c.s. Ik keer terug naar de klachten van onderdeel 2.
Noteis voldaan. Deze vaststelling is gelet op de stellingen van Weaver c.s. onbegrijpelijk, aldus het onderdeel.
op PPFbij de Leningsovereenkomst is uitgesteld totdat aan de verplichtingen uit de Note is voldaan. Voor die lezing pleit uiteraard dat het hof spreekt van ‘de opeisbaarheid daarvan’, terwijl voorafgaand sprake is van de vordering van Weaver op PPF. Als ik het goed zie, is ook door Alstonville c.s. niet verdedigd dat bij de Leningsovereenkomst de opeisbaarheid van de vordering van Weaver op PPF is uitgesteld. De Leningsovereenkomst ziet onbetwist op de vordering van Weaver op Vendia. Uitgaande van de lezing dat het hof spreekt over de vordering van Weaver op PPF, is de overweging van het hof inderdaad onbegrijpelijk en slaagt dus het subonderdeel.
dan ookevident is dat de mogelijkheden van verhaal voor Alstonville op het vermogen van Weaver
als gevolg vande Interne Herstructurering vrijwel nihil zijn geworden. De achterstelling van de vorderingen van Weaver op Vendia bestond echter reeds voorafgaande aan de Interne Herstructurering. Het oordeel van het hof dat de mogelijkheden van verhaal als gevolg van de Interne Herstructurering vrijwel nihil zijn geworden kan vanzelfsprekend niet dragend rusten op de omstandigheid dat de vorderingen van Weaver op Vendia al op een eerder moment (dus al voor de Interne Herstructurering) zijn achtergesteld.
samenstelvan rechtshandelingen met toepassing van de pauliana kan worden vernietigd (hier de Transactie én de Leningsovereenkomst), omdat zij tezamen genomen een of meer schuldeisers benadelen, maar dat geldt uiteraard niet voor een rechtshandeling die aan de andere rechtshandeling(en) niets toevoegt wat voor een dergelijke benadeling van betekenis zou kunnen zijn. [20] Mijns inziens doet laatstbedoeld geval zich hier voor.
subonderdeel 2.2dat de gevolgtrekking van het hof in rechtsoverweging 3.15 dat aan de vordering op PPF als verhaalsobject (vrijwel) geen waarde toekomt, eveneens onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd is. Weaver c.s. hebben in de feitelijke instanties namelijk betoogd dat:
lock upgeen wezenlijk afwijkend depreciërend effect zou hebben gehad op de waarde van de aandelen Vendia respectievelijk de vordering op PPF.
subonderdelen 2.3 en 2.4neem ik samen. Onder 2.3 klaagt het middel dat het hof geen adequate vergelijking heeft gemaakt van de verhaalspositie van Alstonville met en zonder de Interne Herstructurering en aldus een onjuiste maatstaf heeft aangelegd. Onder 2.4 veronderstelt het middel dat het hof zich heeft beperkt tot een vermogensvergelijking en niet heeft beslist omtrent de bemoeilijking van verhaal. Het onderdeel klaagt dat voor zover het oordeel van het hof anders zou moeten worden begrepen (in de zin dat het hof wél heeft beslist dat het verhaal is bemoeilijkt), dat oordeel onbegrijpelijk is in het licht van het partijdebat en de omstandigheid dat de stelplicht en bewijslast ter zake op Alstonville c.s. rusten.
lock upniet het gevolg is van de beide rechtshandelingen waarvan de vernietiging door Alstonville c.s. is ingeroepen (namelijk de Leningsovereenkomst en de Transactie), maar van een eerder verrichte rechtshandeling, waarvan de geldigheid niet in debat is.
stakeholders, wat daar verder van zij, kan hen niet baten. Dit rechtvaardigt immers niet dat de rechten van de schuldeiser moedwillig worden gefrustreerd.
stakeholdershebben gediend, is gebaseerd op ’s hofs perceptie dat Weaver c.s. moedwillig de rechten van Alstonville als schuldeiser hebben gefrustreerd. Rechtsoverweging 3.25 bouwt voort op de overwegingen waartegen het eerste onderdeel van het middel zich richt, welk onderdeel mijns inziens geen doel treft.
3.Conclusie
de Hoge Raad der Nederlanden