Conclusie
(1) dient aan te geven of en zo ja, op welke wijze zij bewijs wenst te leveren ten aanzien van haar stelling dat [eiser] in de periode 2003 tot en met 2009 – behalve een bedrag van € 4.352,97 – ten onrechte een bedrag van € 8.473,58 aan “telefoonkosten” heeft gedeclareerd (zie rechtsoverweging 6.24), en
2.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.4(de subonderdelen 1.1-1.3 bevatten vooropstellingen) dat het hof miskent dat, nu het gaat om een vordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad en de schade op basis van het strafvonnis op de voet van art. 161 Rv Pro bewezen moet worden geacht behoudens tegenbewijs, het aan [eiser] had moeten worden toegestaan om tegenbewijs te leveren dat er in werkelijkheid op dit punt in het geheel geen schade is geleden. Daaraan doet niet af dat gebruik is gemaakt van een onjuiste omschrijving en dat [eiser] die als penningmeester aan zichzelf betaalbaar heeft gesteld. Indien dit immers is gebeurd ten titel van [eiser] toekomende vergoeding voor werkzaamheden heeft de Stichting door de betaling daarvan geen schade geleden. Indien het hof dit niet heeft miskend heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, dan wel heeft het een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
Subonderdeel 1.5betoogt dat indien het hof heeft gemeend dat het enkele feit dat er sprake is van een andere omschrijving er
dusniet op had hoeven te worden betaald, dit oordeel evenzeer onjuist en onbegrijpelijk is, omdat het hier gaat om schadevergoeding uit onrechtmatige daad en er geen schade is geleden. Volgens
subonderdeel 1.6is, indien het oordeel van het hof zo moet worden begrepen dat met de aanduiding ‘valse facturen’ is bedoeld dat daartegenover geen werkzaamheden hebben gestaan, dit oordeel onbegrijpelijk, omdat [eiser] dan op zijn minst had moeten worden toegelaten tot tegenbewijs dat er wel degelijk werkzaamheden zijn verricht waarvoor door de Stichting diende te worden betaald.
Productie 26bevat een overzicht in volgorde van het vonnis.
Productie 27dezelfde bedragen naar de grondslagen, tevens de volgorde die onderstaand wordt aangehouden;
“primaireverweer” dat er op neerkomt “dat geen sprake is van
wederrechtelijketoe-eigening van de betreffende gelden, aangezien hij krachtens overeenkomst met de Stichting recht had op betaling (…).”
schade, missen dus feitelijke grondslag en vormen bovendien een ontoelaatbaar novum. Hierop stuiten de subonderdelen 1.4-1.6 af. De subonderdelen 1.7 en 1.8 bouwen op de voorgaande onderdelen voort en behoeven, gelet op het falen daarvan, geen nadere bespreking.
(Ad c) De geldopnames
subonderdeel 2.4(de subonderdelen 2.1-2.3 bevatten geen klachten) dat het hof, gelet op het door [eiser] bij memorie van antwoord in het incidenteel appel gevoerde verweer, in rov. 6.14 niet kon oordelen dat [eiser] uitsluitend heeft betwist dat hij “dat geld in eigen zak heeft gestoken”. Het subonderdeel betoogt daartoe dat [eiser] ook heeft betwist dat er sprake is van geldopnames waarvoor geen verklaring in de boekhouding is te vinden en dat hij met zoveel woorden heeft gesteld dat voor elke transactie een verklaring is bijgevoegd, hetzij op de pinbon, hetzij op een bijgevoegde verklaring.
subonderdeel 2.6miskent het hof in rov. 6.15 dat de stelplicht en bewijslast van de stelling dat er geen onverklaarbare opnames in de boekhouding zijn te vinden zijn op de Stichting rust en heeft het hof van het verweer van [eiser] ten onrechte een bevrijdend verweer gemaakt.
subonderdeel 2.8tot slot aanvoert dat het een feit van algemene bekendheid is dat een partij die zelf niet over de boekhouding beschikt zich na een aantal jaren niet meer exact kan herinneren waarvoor welke pinopname is gedaan, zodat het oordeel van het hof in de bestreden rechtsoverwegingen dat het enkele feit dat [eiser] voor een bepaalde opname geen verklaring (meer) kan geven, meebrengt dat hij het geld in eigen zak heeft gestoken, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is.