ECLI:NL:PHR:2017:306
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Voorlopige machtiging psychiatrisch verblijf zonder behoorlijke hoorplicht niet gehandhaafd
Op 5 september 2016 verzocht de officier van justitie de rechtbank Den Haag om een voorlopige machtiging te verlenen voor het voortduren van het verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis. Betrokkene was op dat moment opgenomen op grond van een eerdere machtiging. De rechtbank behandelde het verzoek mondeling op 26 september 2016, maar betrokkene was niet aanwezig omdat hij het ziekenhuis op 23 september 2016 ongeoorloofd had verlaten.
De rechtbank verleende de voorlopige machtiging en motiveerde dat betrokkene niet bereid was zich te laten horen, omdat hij wist dat er een zitting zou plaatsvinden maar ervoor koos weg te lopen. Betrokkene stelde cassatie in met het verweer dat de rechtbank de hoorplicht had geschonden en onvoldoende had gemotiveerd dat betrokkene niet bereid was zich te laten horen.
De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank niet had vastgesteld dat betrokkene behoorlijk was opgeroepen voor de zitting, noch dat hij bekend was met datum en tijdstip. De enkele omstandigheid dat betrokkene het ziekenhuis had verlaten, was onvoldoende om te concluderen dat hij niet bereid was zich te laten horen. De hoorplicht vereist dat de rechter de betrokkene zelf hoort tenzij deze onbereikbaar of niet bereid is. De Hoge Raad vernietigde daarom de beschikking en verwees de zaak terug naar de rechtbank Den Haag voor een nieuwe beoordeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking wegens schending van de hoorplicht en verwijst de zaak terug naar de rechtbank.