Conclusie
middelbevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, de handelingen van verdachte zoals omschreven onder sub 3 van het bewezenverklaarde heeft aangemerkt als mensenhandel.
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of het aanwerven en medenemen van een vrouw met het oogmerk haar in een ander land tot seksuele handelingen tegen betaling te brengen, strafbaar is onder art. 273f, eerste lid, onder 3 Sr, waarbij uitbuiting een impliciet bestanddeel vormt.
De Hoge Raad herhaalde eerdere jurisprudentie dat uitbuiting noodzakelijk is om te spreken van mensenhandel. Uit de bewijsvoering bleek dat het slachtoffer onder zware omstandigheden werkte, lange dagen maakte, al haar inkomsten moest afstaan en intensief werd gecontroleerd. Hoewel deze omstandigheden zich pas realiseerden nadat zij begon te prostitueren, oordeelde het hof dat uitbuiting reeds bij aanwerven en medenemen aanwezig was.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de verdachte, die betoogde dat het hof ten onrechte de gedragingen als mensenhandel had aangemerkt. De bewezenverklaring bleef daarmee in stand. Tevens werd bevestigd dat de strafbedreiging voor mensenhandel sinds 2013 is verhoogd tot twaalf jaar gevangenisstraf.
Deze uitspraak bevestigt de strenge benadering van mensenhandel en benadrukt dat uitbuiting een essentieel element is, ook bij gedragingen voorafgaand aan daadwerkelijke prostitutie.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de bewezenverklaring van mensenhandel door aanwerven en medenemen onder uitbuitingsomstandigheden en verwerpt het cassatieberoep.