Conclusie
middelklaagt met een beroep op HR 25 maart 2014,
NJ2014/303 m.nt. Keijzer dat het hof het onder 3 bewezenverklaarde ten onrechte als “witwassen” heeft gekwalificeerd.
later in de tijdweer overgedragen aan anderen.
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of het overdragen van geldbedragen, afkomstig uit een eigen misdrijf, gelijkgesteld kan worden aan het verwerven of voorhanden hebben van die voorwerpen in het kader van witwassen. De verdachte had in de periode mei tot september 2010 geldbedragen, afkomstig uit een misdrijf, overgedragen aan derden. Het hof had hem veroordeeld voor medeplegen van witwassen.
De verdediging stelde dat het hof ten onrechte het handelen als witwassen had gekwalificeerd, verwijzend naar eerdere jurisprudentie waarin het verwerven of voorhanden hebben van voorwerpen uit eigen misdrijf niet zonder meer als witwassen wordt aangemerkt. De Hoge Raad nuanceerde dit standpunt door te stellen dat het overdragen van dergelijke voorwerpen niet automatisch gelijkgesteld kan worden aan verwerven of voorhanden hebben, tenzij de omstandigheden wezenlijk overeenkomen.
In dit geval was vastgesteld dat de verdachte de geldbedragen niet alleen verwierf maar ook weer overdroeg aan anderen, waardoor het bijzondere geval niet van toepassing was. De Hoge Raad verwierp het middel en bevestigde de veroordeling van negen maanden gevangenisstraf, waarvan vier voorwaardelijk. Hiermee werd voorkomen dat de witwasregels omzeild konden worden door een andere delictsvorm te bewijzen.
De uitspraak sluit aan bij eerdere arresten over witwassen en fraude met kinderopvangtoeslag en benadrukt de noodzaak van een zorgvuldige kwalificatie van gedragingen in witwaszaken, waarbij de intentie tot verbergen of verhullen van criminele herkomst doorslaggevend is.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigde de veroordeling voor medeplegen van witwassen en verwierp het cassatiemiddel.