ECLI:NL:PHR:2017:346

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 maart 2017
Publicatiedatum
16 mei 2017
Zaaknummer
15/04654
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 435 SvArt. 437 SvArt. 511h Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring betrokkene in cassatieberoep wegens niet-indienen middelen

Het Gerechtshof Den Haag bevestigde op 17 september 2015 het vonnis van de rechtbank Den Haag van 22 september 2014, waarbij betrokkene werd veroordeeld tot betaling van €5.000,- ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Betrokkene stelde tijdig beroep in cassatie in, maar diende geen middelen van cassatie in binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van twee maanden na betekening van de aanzegging. Volgens art. 511h Sv en art. 437 lid 2 Sv Pro is het indienen van een schriftuur met middelen van cassatie binnen deze termijn verplicht.

De Procureur-Generaal concludeert daarom dat betrokkene niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn cassatieberoep. Deze conclusie betreft de niet-ontvankelijkverklaring wegens het ontbreken van tijdige middelen, waardoor het cassatieberoep niet inhoudelijk wordt behandeld.

Uitkomst: Betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen.

Conclusie

Nr. 15/04654 P
Zitting: 21 maart 2017
Mr. E.J. Hofstee
Conclusie inzake:
[betrokkene]
Het Gerechtshof Den Haag heeft bij uitspraak van 17 september 2015 het vonnis van de rechtbank Den Haag van 22 september 2014 bevestigd, met uitzondering van de grondslag van de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarbij is het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 5.000,- en de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming.
Er bestaat samenhang met de zaken 15/04449P , 15/04453 en 15/04655. Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen.
De betrokkene heeft tijdig beroep in cassatie doen instellen. Hoewel de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv geldig is betekend, zijn namens hem geen middelen van cassatie voorgesteld.
Art. 511h Sv schrijft in verbinding met art. 437, tweede lid, Sv voor dat op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen twee maanden na betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie moet worden ingediend. Nu bij de Hoge Raad niet tijdig een schriftuur is ingediend, moet de betrokkene niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep worden verklaard.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG