ECLI:NL:PHR:2017:362

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 maart 2017
Publicatiedatum
23 mei 2017
Zaaknummer
15/03265
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 435 SvArt. 437 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring verdachte in cassatieberoep wegens te late indiening

De verdachte was door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van drieëntwintig maanden wegens deelneming aan een criminele organisatie en medeplegen van gewoontewitwassen. Tegen dit arrest was zowel door de verdachte als door het openbaar ministerie beroep in cassatie ingesteld. Het openbaar ministerie trok het cassatieberoep echter in.

De aanzegging van het cassatieberoep aan de verdachte vond plaats op 24 december 2016, en de betekening aan zijn raadsman volgde op 30 december 2016. De schriftuur houdende cassatiemiddelen werd op 23 februari 2017 ingediend, terwijl de wettelijke termijn op 22 februari 2017 afliep.

Daarom is de schriftuur te laat ingediend en dient de verdachte als niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn cassatieberoep. De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is dan ook gericht op niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens te late indiening.

Conclusie

Nr. 15/03265
Zitting: 14 maart 2017
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 10 juli 2015 door het gerechtshof Den Haag wegens, onder 1, “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” en, onder 2, “medeplegen van gewoontewitwassen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drieëntwintig maanden. Tevens heeft het hof in het genoemde arrest beslist tot verbeurdverklaring van een in beslag genomen mobiele telefoon.
Deze zaak hangt samen met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], die respectievelijk onder nr. 15/03373 en nr. 15/03460 bij de Hoge Raad aanhangig zijn. In deze samenhangende zaken zal ik vandaag eveneens concluderen.
Tegen het arrest van het hof is in eerste instantie zowel door de verdachte als namens het openbaar ministerie beroep in cassatie ingesteld. Het namens het openbaar ministerie ingestelde cassatieberoep is evenwel bij akte van 1 februari 2016 ingetrokken.
Wat betreft het door de verdachte ingestelde beroep blijkt uit de zich in het dossier bevindende stukken dat de aanzegging in cassatie als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv op 24 december 2016 in persoon aan de verdachte is betekend. Voorts blijkt uit de stukken dat de betekening van de aanzegging aan de verdachte bij brief van 30 december 2016 tijdig aan de raadsman van de verdachte is medegedeeld. Tot slot bevinden zich tussen de stukken twee exemplaren van een door de raadsman van de verdachte ingediende schriftuur houdende cassatiemiddelen – een fax en een origineel exemplaar –, welke beide zijn gedateerd op 23 februari 2017 en waarvan de fax op de genoemde datum van 23 februari 2017 als eerste bij de griffie van de Hoge Raad is binnengekomen.
Ingevolge art. 437, tweede lid, Sv dient op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen zestig dagen na de betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv, door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie te worden ingediend, zodat de wettelijke indieningstermijn in de onderhavige zaak uitgaand van de betekeningsdatum van 24 december 2016 op 22 februari 2017 afliep. Dit betekent dat de schriftuur houdende cassatiemiddelen in deze zaak te laat is ingediend en dat de verdachte als gevolg daarvan niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het door hem ingestelde beroep in cassatie.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG