Conclusie
1.Inleiding
2.Procesverloop
3.Bespreking van het principaal cassatieberoep
4.Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
subonderdeel 1.2ligt in rov. 9.5 het oordeel besloten dat de aldaar bedoelde privé-onttrekkingen dienen te worden aangemerkt als voorschotten op winstuitkeringen in de zin van artikel 9 van Pro de vennootschapsovereenkomst. Dit oordeel is, aldus het subonderdeel, onvoldoende gemotiveerd in het licht van hetgeen het hof zelf in rov. 9.5 overweegt, te weten dat van winstuitkeringen in de desbetreffende periode geen sprake is geweest, aangezien de vof steeds verlies heeft geleden, dit met uitzondering van het jaar 2007, waarin het winstaandeel van [betrokkene 2] ten bedrage van € 74.080,- is verrekend met zijn negatieve kapitaal de kapitaalrekening van [betrokkene 2] op 31 december 2007 een negatief saldo van € 443.655,- vertoonde. In dat licht behoeft, zo betoogt het subonderdeel, nadere verklaring waarom partijen zouden hebben beoogd toepassing te geven aan art. 9 lid Pro 1, en/of waarom partijen toepassing hebben kunnen geven aan art. 9.1 lid 1 van de overeenkomst. Het subonderdeel wijst daarnaast op hetgeen [verweerder] heeft aangevoerd over het negatieve eigen vermogen van de vof op het moment van beslaglegging, dat jaarlijkse verrekening van de verliezen van de vof met het kapitaal van de vennoten, het opgelopen negatieve eigen vermogen van de vof bij de ontbinding van de vof per 30 november 2008 en dat de financiële afwikkeling van de vof resulteerde in een vordering van [verweerder] op [betrokkene 2] van € 319.860,-. In deze stellingen van [verweerder] ligt besloten dat bij de bedoelde privé-opnamen geen sprake was van voorschotten op vermoedelijk uit te keren winst. Het oordeel dat de onderhavige betalingen onder het beslag vallen behoeft, gelet op deze stellingen, nadere motivering.
ondubbelzinnigte kennen heeft gegeven zich bij de afwijzing van de vordering in reconventie neer te leggen. Hetgeen hij aldaar heeft opgemerkt moet, zoals [verweerder] terecht aanvoert, in de, beperkte, context van het eerste cassatieberoep worden gezien, waarin het primair ging om het intrekken door het hof van het eerste eindarrest van 11 maart 2014 en het wijzen van een tweede eindarrest op 10 juni 2014 en subsidiair over de (gewijzigde) inhoudelijke beoordeling door het hof in het tweede eindarrest van de vorderingen in conventie.
tot zijn wederpartijgericht. [verweerder] wijst er m.i. terecht op dat [eiseressen] niet zijn verschenen in de eerste cassatieprocedure en dat zij geen gerechtvaardigd vertrouwen hebben kunnen ontlenen aan de opmerking van [verweerder] in zijn schriftelijk toelichting van 13 maart 2015 dat hij zijn vordering uit onrechtmatige beslaglegging zou laten rusten.
niet, laat staan
expliciet beroepen op berusting. Zoals hiervoor onder 4.12 vermeld, hebben [eiseressen] in de schriftelijke toelichting op de conclusie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep slechts gesteld dat [verweerder] te laat is met het formuleren van klachten tegen het tussenarrest van 19 november 2013, omdat hij dit tegelijkertijd had moeten doen met het cassatieberoep tegen het eindarrest van 10 juni 2014.
vennootschap.Het voorgaande was ook opgenomen in het ingetrokken [15] voorstel van wet tot vaststellingen van titel 7.13 (vennootschap) van het Burgerlijk Wetboek. Het eerste lid van art. 806 lid 1 van Pro dat wetsvoorstel bepaalde dat bij een vennootschap die geen rechtspersoon is een vennoot niet kan beschikken over zijn aandeel in een bepaald tot de vennootschappelijke gemeenschap behorend goed en dat zijn schuldeisers een dergelijk aandeel niet kunnen uitwinnen [16] .