ECLI:NL:PHR:2017:381

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 maart 2017
Publicatiedatum
30 mei 2017
Zaaknummer
16/01295
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 432 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens te late indiening na veroordeling zware mishandeling

De verdachte werd door de rechtbank Den Haag veroordeeld voor zware mishandeling tot een gevangenisstraf van negen weken, waarvan vier voorwaardelijk. Het gerechtshof verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen dit vonnis. Vervolgens stelde de verdachte cassatieberoep in tegen het arrest van het hof.

De Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is omdat het te laat was ingediend. De dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep was persoonlijk aan de verdachte betekend, waardoor het cassatieberoep binnen veertien dagen na het arrest van het hof had moeten worden ingesteld. Het beroep werd echter ruim een maand na het arrest ingediend.

Hierdoor kon de Hoge Raad niet inhoudelijk op de voorgestelde cassatiemiddelen ingaan en verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk. Deze beslissing sluit aan bij de wettelijke termijnen zoals neergelegd in artikel 432, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafvordering.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.

Conclusie

Nr. 16/01295
Zitting: 14 maart 2017
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[verdachte]
Bij arrest van 8 januari 2016 heeft het gerechtshof Den Haag de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Den Haag van 23 maart 2015, in welk vonnis de verdachte door de rechtbank ter zake van “zware mishandeling” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen weken met een voorwaardelijk gedeelte van vier weken.
Deze zaak hangt samen met de zaken die respectievelijk onder nr. 16/00151 en 16/01944 bij de Hoge Raad aanhangig zijn. In deze samenhangende zaken zal ik vandaag eveneens concluderen.
Namens de verdachte heeft mr. M.R. Mantz, advocaat te Den Haag, twee middelen van cassatie voorgesteld.
Aan de bespreking van de voorgestelde middelen kom ik evenwel niet toe op grond van het navolgende. Uit een zich in het dossier bevindende akte cassatie blijkt dat namens de verdachte op 10 februari 2016 cassatieberoep is ingesteld tegen het arrest van het hof van 8 januari 2016. Daarnaast zit in het dossier een akte van uitreiking waaruit volgt dat de dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep van 8 januari 2016 op 19 november 2015 in persoon aan de verdachte is betekend.
Nu art. 432, eerste lid en onder a, Sv inhoudt dat – indien de dagvaarding of oproeping om op de (laatste) terechtzitting in hoger beroep te verschijnen in persoon aan de verdachte is betekend – het beroep in cassatie tegen de einduitspraak van de in hoger beroep oordelende rechter binnen veertien dagen na de betreffende einduitspraak moet worden ingesteld, brengt de omstandigheid dat het cassatieberoep in casu pas ruim een maand na het arrest van het hof is ingesteld mee dat de verdachte niet in zijn beroep in cassatie kan worden ontvangen.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG