Conclusie
niet verschenen
1.Feiten en procesverloop
onderdeel 6te bespreken. Dit onderdeel is gericht tegen rov. 4.16 van het tussenarrest van 14 april 2015. Daarin heeft het hof het volgende overwogen:
[verweerders] - AG] dat de borgstelling voor het bedrag van € 60.301,51 ten onrechte is gegeven, omdat het volledige bedrag van (het hof begrijpt:) de daarmee corresponderende geldlening van [A] (lening 2) al op 29 juni 2006 betaald zou zijn. De bank is op deze stelling geheel niet ingegaan en heeft deze aldus niet gemotiveerd betwist. Het hof merkt op dat lening 2 ontbreekt in productie 12 dat voor de bank de grondslag vormt voor het verloop van de schulden van [A] en het ontstaan van de restschuld, hetgeen pleit voor de juistheid van de stelling van [verweerders]. In zoverre slaagt grief 8. Dat betekent dat de bank lening 2 niet ten grondslag kan leggen aan de vordering op [verweerders] en dat alleen lening 1, voor zover die niet is afgelost, nog in aanmerking komt.”
andere versievan de memorie van grieven dan de memorie van grieven die aan de advocaat van de bank was toegezonden. Volgens de toelichting op het onderdeel eindigde de versie die aan de advocaat van de bank was toegestuurd op de ondertekende pagina 4. De versie die aan het hof werd toegestuurd was identiek, behoudens twee uitzonderingen:
prod. 2ais een brief van 20 januari 2016 van mr. De Jong van Lier (de cassatieadvocaat) overgelegd, gericht aan de griffier van het hof Arnhem-Leeuwarden. Daarin verzoekt hij de griffier om kopieën van de versies van de memorie van grieven, zowel het exemplaar uit het griffiedossier als de exemplaren uit de gefourneerde dossiers.
*
Prod. 2bis een brief van 22 januari 2016 van de griffier van het hof, die de reactie bevat op het verzoek van 20 januari 2016. In de brief vermeldt de griffier dat het hof niet meer beschikt over de door partijen gefourneerde (kopie) procesdossiers en dat het hof dan ook geen kopieën van de desbetreffende memories van grieven kan toesturen. Bij de brief is wel de memorie van grieven uit het procesdossier meegezonden. Dit is de versie waarin op de laatste bladzijde (blz. 5) de hiervoor aan het slot van 2.3 weergegeven passage wordt vermeld, met daaronder de handtekening/paraaf van de advocaat.
Prod. 2cis een brief van mr. De Jong van Lier van 5 maart 2016 aan het hof. Daarin verzoekt hij onder meer om een kopie van de rolbeslissing van 26 juli 2015. Onder het kopje ‘
Het gefourneerde dossier’vermeldt de brief verder het volgende:
2:) Dat roept bij mij de vraag op, wat er in dit geval is gebeurd met de gefourneerde dossiers. Zijn ze vergeleken?
2-b:) Zo ja, wat valt er daarover nog vast te stellen? (Wie heeft vergeleken? Hoe grondig gebeurt dat? Wordt de uitslag van die vergelijking enigerlei wijze vastgelegd of gerapporteerd?)
3:) Is het door mr Teke namens geïntimeerde gefourneerde kopie-dossier nog beschikbaar?
3-b:) In het bevestigende geval zie ik graag dat het in het licht van deze casus zorgvuldig wordt bewaard.”
prod. 2dis overgelegd een brief van 14 maart 2016 van de griffier van het hof aan mr. De Jong van Lier. In de brief staat dat vergelijking van de gefourneerde dossiers in het algemeen geschiedt indien daartoe aanleiding is, bijvoorbeeld in het geval in een van de gefourneerde dossiers stukken ontbreken. De brief vermeldt voorts dat niet meer is na te gaan of in dit geval de dossiers zijn vergeleken en dat het door mr. Teke gefourneerde dossier niet meer beschikbaar is.
* Als bijlagen bij de producties 2a en 2b worden de twee versies van de memorie van grieven overgelegd. De ene memorie van grieven (bijlage bij prod. 2a) bevat vier bladzijdes met onderaan blz. 4 een handtekening/paraaf, de andere memorie van grieven (bijlage bij prod. 2b) bevat vijf bladzijdes. Op blz. 5 wordt de hiervoor aan het slot van 2.3 vermelde passage weergegeven, de handtekening/paraaf bevindt zich onder die passage.
vierbladzijden (met daarachter niet juist genummerde producties), waarvan de laatste was ondertekend.
Op te merken is nog dat de stelling dat de bank niet heeft beschikt over dezelfde memorie van grieven als die waarop het hof zijn oordeel in 4.16 van het tussenarrest heeft gebaseerd, ook wordt ondersteund door het verzoek van de bank in haar (door het hof geweigerde) antwoordakte van 21 juli 2015 (prod. 1 schriftelijke toelichting), om herstel van de overweging in rov. 4.16, omdat die op een kennelijke misslag berust.
na het nemen van de memorie van grieven, zoals opgenomen in het griffiedossier. Dat betekent dat de bank na verwijzing een memorie van antwoord dient te nemen.