ECLI:NL:PHR:2017:394

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 april 2017
Publicatiedatum
6 juni 2017
Zaaknummer
16/01380
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437, tweede lid, SvArt. 511h Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid betrokkene in cassatie wegens niet tijdig indienen middelen in ontnemingszaak

Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft betrokkene bij uitspraak van 9 maart 2016 verplicht tot betaling van € 13.835,14 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze ontnemingszaak is verbonden met een strafzaak tegen betrokkene. Betrokkene heeft beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.

Echter heeft betrokkene niet binnen de wettelijk gestelde termijn door een raadsman een schriftuur met middelen van cassatie ingediend. Hierdoor is niet voldaan aan het voorschrift van artikel 437, tweede lid, Sv, in verbinding met artikel 511h Sv. Dit leidt tot niet-ontvankelijkheid van betrokkene in het cassatieberoep.

De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is derhalve gericht op niet-ontvankelijkverklaring van betrokkene. Er zijn geen verdere middelen of argumenten ingediend. De procedure wordt hiermee beëindigd zonder inhoudelijke behandeling van de zaak.

Uitkomst: Betrokkene is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen.

Conclusie

Nr. 16/01380 P
Zitting: 18 april 2017 (bij vervroeging)
Mr. P.C. Vegter
Standpunt/conclusie inzake:
[betrokkene]
Het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, zittingsplaats Zwolle heeft bij uitspraak van 9 maart 2016 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 13.835,14 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Deze ontnemingszaak hangt samen met de strafzaak tegen de betrokkene (16/01379), waarin ik vandaag eveneens concludeer.
Namens de betrokkene is beroep in cassatie ingesteld. Er is geen schriftuur ingediend.
Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv, in verbinding met art. 511h Sv, niet in acht genomen, zodat de verdachte niet in het beroep kan worden ontvangen.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG